Hardleers.

Het was in september van het jaar 2007. We woonden hier net een half jaar. Hans kwam binnenwandelen met goed nieuws: er wordt in Szigetvár een Hongaarse taalschool geopend en we kunnen ons nog inschrijven!! Tijdens de inschrijfdag, gelukkig nog allemaal in het Nederlands, was het een drukte van belang. Sommige waren nieuw, net als wij en andere woonden hier alweer enige jaren. Maar met elkaar hadden we een doel: die verdomd moeilijke taal leren.

Zelf was ik al een jaar bezig geweest met zelfstudie. Dvd’s, taallessen op het internet en boeken. Nou ja, boeken. 1 boek, maar dat bleek een antwoordenboek te zijn, het vragenboek bleek niet meer voorradig te zijn. Maar daar kwam ik later pas achter. Eigenlijk kun je wel stellen dat ik geen boek had, want aan antwoorden zonder vragen heeft een mens niet zoveel. Wel leerde ik elke dag een uur, met de dvd’s, want mijn stelling was: ik wil niet leven in een land waarvan ik de taal niet spreek. En die stelling had wel een beetje daadkracht nodig.

De eerste les in september 2007 werd druk bezocht. De tweede les ook en de derde les ook. Nathan, onze leraar, stelde voor om er twee groepen van te maken, want over de twintig leerlingen was best veel. En zo geschiedde. Wij verhuisden met een groep van zeven naar de middag. En alle zeven maakten we trouw ons huiswerk en verschenen elke week weer op tijd voor de les. De andere groep daarentegen werd steeds kleiner. Het waren vooral mannen (ja, sorry hoor) die ermee kapten. Een paar veel gehoorde kreten waren: “dit ga ik nooit leren” of “ik leer het wel van de mensen en op straat”. Daar gingen ze, een taalarmoedige toekomst tegemoet.

Al na het eerste seizoen ging de taalschool ter ziele, omdat er niet meer genoeg leerlingen waren. Nathan maakte nog een doorstart met ons, groep van vier (en we zijn nog steeds vrienden), ergens in een bovenzaaltje van een aftandse pizzeria waar het donker was en ongezellig en waar de koffie de hele nacht leek te hebben gekookt. Slechts enkele maanden mocht dit duren, want Nathan kreeg een mooie baan aangeboden in Budapest.

Ondertussen zochten wij naarstig naar een mogelijkheid om die verdomde taal toch te leren. Maar gelukkig had ik de lesboeken nog en ging al snel over tot weer een”zelfstudie”. Welnu, enkele jaren later vond ik een lerares die ik eigenlijk al jaren kende, maar waarvan ik niet wist dat zij ook privéles gaf. Ik werd aangenomen. En kreeg les via skype. En dat was maar goed ook. Want in het eerste jaar van de voortzetting van mijn Hongaarse lessen moest ik vooral “afleren”. Ik had die studieboeken anders uitgelegd dan de oorspronkelijke bedoeling was. Ik had mijn eigen taal ontwikkeld die niemand anders goed verstond dan ikzelf. Mijn woordenschat in de Hongaarse taal was zeker veel groter geworden. Alleen moet je dan wel verstand hebben van de vervoegingen. En dat had ik niet, dat verstand van vervoegingen. Hans luisterde de eerste lessen mee maar haakte af om zijn eigen redenen.

De privélessen vond ik best zwaar en de lerares werd nooit boos, omdat ik mijn huiswerk weer eens niet helemaal had gemaakt of helemaal niet. Maar daar kwam verandering in. Vriendin M kreeg al jaren privéles bij Timi (onze lerares) thuis. Maar door corona was dat niet meer mogelijk. We schakelden over van skype naar zoom en zo kon het dat zowel M als ik allebei vanuit huis met elkaar Hongaarse les kregen. Nu we toch samen les kregen werd ik wel fanatieker in mijn huiswerk. Want niets is zo lullig als met een mond vol met tanden zitten, terwijl de ander zich de pest heeft zitten leren. En niet veel later bleek dat dit ook voor M gold. We werden er beiden zeker beter op.

In 2022 veranderde er iets in de wet. Timi gaf les op de universiteit aan buitenlandse studenten en tevens privélessen aan ons en nog wat andere mensen. Dat mocht niet meer. Ze moest een keuze maken: universiteit of privéles. We voelden de bui al hangen. In paniek maakte ik een account aan bij Duolingo. Een programma waar bijna alle talen van de wereld te leren zijn. Ik begon als beginneling en vloog als het ware door de lessen heen. Gelijk een dolfijn door het water en gelijk een slang door het gras. Maar de eerste ergernissen kwamen al snel. Vreemde zinnen als: de kleuterjuffrouw vliegt boven de school of de politieagent zwemt onder het café (of zoals bij vriendin S die Grieks leert via Duolingo. Ik geef de aap een ijsje). Maar wat ik nog het meest miste was de communicatie. Een taal kun je lezend leren, maar je moet het ook kunnen uitspreken en dat is in het Hongaars nogal een dingetje.

Maar er kwam verlossing van de zijde van Timi. De lessen konden toch weer fijn opgepakt worden. Aan het begin van dit jaar kwam er een nieuw voorstel. Tja… goh… alles was in de tijd wel een stuk duurder geworden, zo ook onze lessen. Timi had nog twee Duitse damesleerlingen die op hetzelfde niveau zaten als M en ik. Timi wilde ons graag samenvoegen om zo de kosten een beetje te drukken. Na de eerste les met z’n vieren had ik er niet veel vertrouwen in dat het goed zou komen. Maar nu, ruim twee maanden later zijn we er blij mee. Ook Timi. Want iedereen schijnt het huiswerk fanatiek te maken. Na boek A1 -A2+- B1+en nu twee herhaal en vervolgboeken verder geef ik toe dat ik hardleers ben. Maar ik heb in de afgelopen 17 jaar (met helaas wat lange onderbrekingen) toch best wel wat opgestoken. Het gevoel dat ik het nooit zal leren, ebt nu wel een beetje weg. Dus blijf ik hardleers.

Het oog wil ook wat.

Het is misschien een beetje vreemde zin, maar ik ben geboren met twee dode hoeken. Deze dode hoeken komen doordat mijn jukbeenderen nogal hoog zijn, waardoor het zicht naar opzij of naar beneden, nou ja, nogal een dode hoek veroorzaken.

Vanaf mijn jonge jaren liep ik vaak tegen iets aan, liep een tafel vol glazen om en struikelde ik over alles wat aan mijn zicht ontnomen werd. Dus ik lag nogal eens plat op mijn smoel of knalde vanuit het niets tegen iets of iemand aan, omdat ik het gewoon niet aan zag komen. Mijn moeder riep heel vaak: doe het eens rustig aan! Maar met die rust kwam ik er ook niet.

Wel heb ik mezelf in jaren tijd aangeleerd anders te gaan kijken. Meer in de verte bijvoorbeeld, zodat ik toch op tijd dat rotsblok zag die als versiering ergens in een straat lag te liggen. Ook draaide ik meer mijn hoofd, zodat ik zowel links als rechts iets meer overzag. Dat kwam mij trouwens goed van pas toen ik op moest voor mijn rijbewijs. 20 jonge jaren was ik. Ondanks dat mijn gevoel voor links en rechts toen ook nog niet helemaal op orde was en ik linksaf sloeg in plaats van rechtsaf, zoals de examinator mij bevolen had. Al bij het eerste examen kreeg ik mijn rijbewijs met twee opmerkingen. 1e: kijkt heel goed en laat ook zien dat ze kijkt. 2e: met parkeren wat vaker oefenen. Dat laatste kan ik nog steeds niet goed. En zal dat, na 47 jaar, waarschijnlijk wel nooit echt leren.

Hans heeft na uitvoerig onderzoek door de oogarts de uitslag gekregen van zijn oogonderzoek. Een gat in zijn macula. Ik had er nog nooit van gehoord en zocht meteen het internet af wat de gevolgen daarvan zijn. Vroeger zou ik dat hebben opgezocht in de Winkler Prins of iets dergelijks, maar tegenwoordig hebben we internet. Dat scheelt zowiezo een hoop ruimte in de boekenkast. Maar dit terzijde. Ik vond: vermindering van de gezichtsscherpte. Andere klachten zijn een wazige vlek in het midden van het beeld en vervormingen van het beeld. Men ziet kronkels in rechte lijnen of een vergroting van het beeld, als in een lachspiegel. Maar ook dat er dode hoeken kunnen ontstaan.

Hans is altijd een goede kijker geweest. Dat kwam hem goed van pas als fotograaf. Hij is gewend dat hij alles altijd heel goed zag. U leest die zin goed, want als een persoon ineens minder goed gaat zien en dat niet direct in de gaten heeft, denkt die persoon dat het aan de objecten ligt waar hij of zij tegenaan loopt. Het viel mij de laatste tijd al op dat hij zomaar tegen iets aan kon lopen. Bijvoorbeeld de open trap in de woonkamer, die er toch al meer dan 16 jaar hangt. Of gewoon de bocht tekort nemen bij een deur, zodat hij met zijn schouder de halve deur er uitloopt. De blauwe plekken nemen hand over hand toe, mede als gevolg van bloedverdunners. Maar niemand heeft ooit beweerd dat ouder worden nou zo leuk is. Ook het wegzetten van glazen kan soms lastig zijn als je een plank in andere vorm ziet dan doorgaans gewoon is. Het glasgerinkel klonk dus ook al vaker. Nu zou ik hem, als een beetje ervaringsdeskundige, kunnen leren anders te gaan kijken met die dode hoeken. Maar ik denk dat hij, op zijn leeftijd, nogal moeilijk bij te sturen is.

De oogarts schreef hem, bij wijze van experiment, drie verschillende oogdruppels voor die hij op drie verschillende tijden per dag in zijn oog moet druppelen. Het is wel puzzelen, maar hij heeft een modes gevonden om al die druppels per dag toch in zijn oog te krijgen. Er zijn resultaten bekend en soms slaagt zo’n experiment. We hebben er goede hoop op, want na een week druppelen vertelde hij vanmorgen dat hij het vermoeden heeft dat de lachspiegel wat minder aan het worden is en dat de kronkels ook minder zijn. Ik hoop het echt van harte want het is niet fijn om de hele dag uitgelachen te worden, omdat ik er zo raar uitzie met mijn hele kleine koppie en mijn hobbelige lichaam. Het gezegde “het oog wil ook wat” gun ik hem van harte. Want ook ik zou het prettiger vinden als hij mij weer normaal ziet staan.

Ontploffingsgevaar.

Het is al een tijdje bezig. Ik kon mijn ogen niet geloven in januari. En mijn handen trouwens ook niet. Ik aaide door zijn lekkere wollige vacht. Hij sloot zijn ogen en toen ik ophield legde hij zijn grote poot op mijn arm. Meer alstublieft, meer van dat kroelen en aaien. Ineens voelde ik een kleine verdikking en nog één en daarna nog een stuk of vier. Ik rende naar binnen om het simpele en oh zo kleine apparaatje te pakken en begon woest in zijn vacht te zoeken.

Een simpele uitvinding, maar ontzettend doeltreffend.

Arme Bence. Wandelend insectenparadijs. Wat hebben ze hem graag, met zijn volle vacht. Vooral teken schijnen een voorkeur voor hem te hebben. Het was dus half januari en een ware tekenontploffing vond plaats. In de koelkast had ik nog een tablet liggen, ooit overgenomen van vriendin S, die teken doodt (niet vriendin S, maar die pil) als ze zich in een dier ingraven. Zowel Sissi als Bence kregen er een deel van, want de berichtgeving over teken is niet echt om heel vrolijk van te worden. Ik ken er best wel een paar verhalen over. Bij zowel mens als dier. En dat stemt niet gelukkig.

Nu zijn ze beschermt, maar nog dagelijks pluk ik tientallen teken uit zijn vacht. En degene die zich toch ingraven? Morsdood. Nu houd ik niet zo van dood, maar in het geval van teken dan weer wel. En nu, met deze warme dagen zal er ook zeker ontploffingsgevaar zijn. Wij houden onszelf in ieder geval goed in de gaten.

Wat zeker niet morsdood is, is onze kruidenhevel of ook wel permaheuvel genaamd. Elk voorjaar, als er eigenlijk nog weinig gebeurd, vraag ik me af of al die kruiden de winter overleefd hebben. Voor dit jaar was dat niet zo nodig, want winter is er amper geweest en al in het begin van februari zag ik sommige planten opnieuw uitlopen. Wel wat vroeg voor de tijd van het jaar, want de winter kon nog altijd invallen. Maar hij viel niet in, die winter. Wel ervaren we het meest bizarre voorjaar ooit. Want ook hier geldt zeker een plantenontploffingsgevaar.

Een ware kruidenbuil perst zich als het ware uit de aarde. (Salie, oregano, majoraan, citroen melisse, Franse dragon, citroen mint, wilde bieslook en nog een sierlijke rozemarijn) En onder de flessen staan de zaden voor eetbare bloemen. Veilig tegen de kippen.

Wat niet kon ontploffen was de moestuin. Die hadden we in het najaar afgedekt met worteldoek en daaronder valt niet zo goed te leven als plant. De planten sterven af en geven zichzelf aan de aarde terug als compost. Een ware win-win situatie. Wij spitten nooit om en laten de aarde met rust. Dat doen we al sinds 15 jaar. Maar gisteren kwam buurman F. even langs voor wat informatie. Hans vroeg hem of hij wist wie er een cultivator had (die van ons hadden wij 15 jaar geleden verkocht, omdat we die toch niet meer zouden gebruiken), zodat we alleen de bovenlaag even wat lucht konden geven. Welnu, een kwartier later stond buurman F met zijn eigen cultivator de bovenlaag van onze moestuin te cultiveren. En wat tevoorschijn kwam was een prachtige rijke aarde.

Omdat we dit jaar de moestuin opnieuw gaan indelen hadden we ook alle druppelslangen weggehaald. Een rampenplan natuurlijk, want die dingen werken nooit mee. Maar nu de aarde weer mooi los is begon Hans vanmorgen met het opnieuw aanleggen van het druppelslangsysteem. Wel een fijn moment eigenlijk met die hitte. Als een wandelende douchekop kwam hij terug naar huis. Daarna hebben we het samen zo ver mogelijk afgemaakt.

Na het weekend even alles goed rangschikken, aansluiten op de watertoren naast de moestuin. Dan kan het inzaaien beginnen en mag wat mij betreft het ontploffingsgevaar beginnen.

Toch groeit er wel wat in de moestuin. De vroege planten zeg maar.

Spinazie en een beetje rucola. En natuurlijk niet te vergeten…..

De tuinbonen. En dan is het ook nog wachten op al die zaden die staan voor te trekken in de serre. Nou ja, het houdt ons wel van de straat.

Variatie op een thema.

Wat een haas met Pasen van doen heeft? Geen idee. Ik ben nooit zo goed geweest in de onstaansgeschiedenis van de tierelantijnen voor het Paasfeest. Ik weet eigenlijk ook niet waarom het ei zo centraal staat. En al helemaal niet waarom een haas daar zo mee loopt te zeulen. En nog minder weet ik van eieren die, geverfd en wel, in een kaal geschraapte boomtak hangen. Dit lijkt mij echt een feestelijk dingetje voor tuincentra, omdat hazen van hout, plastic of andere meuk zo leuk staan in de voortuin. Naast die stok met eieren natuurlijk. Van mij mag het hoor. Geen probleem.

Kijk en deze tekst vond ik nu net op het internet, dat verklaard iets meer: De paashaas komt volgens negentiende-eeuwse aannames voort uit een Germaanse traditie voor het vieren van de lente en het nieuwe leven. De haas speelt een prominente rol in paassprookjes. Hij is, naast eieren, een belangrijk attribuut van het niet religieus paasfeest. Het vieren van de lente, dat bevalt me dan wel meer. Maar dat heeft dan weer niets met een wederopstanding te maken.

Nu hebben wij geen hazen, zelfs geen konijnen. Maar we hebben wel kippen. Zeven stuks. Vijf grote witte kippendames (die ook wel Duits lijken vanwege de diepe kuilen die ze graven voor hun wel verdiende zandbadje), één halve zijdehoen en één mix van kriel/zijdehoen. Een bont gezelschap dus. En natuurlijk 2 hanen. Maar die leggen geen eieren, die zorgen alleen voor het nageslacht en ik moet zeggen dat ze daar een dagtaak aan hebben. Of het moet zijn dat ze Hans helpen in de tuin, terwijl hij iets aan het uitgraven is. Toffe helpers zijn het.

De jonge onderzoekers en altijd behulpzaam.

Nu zult u denken, een kip is een kip en een ei is een ei. Maar daar is toch een schromelijke vergissing. Want onze kippen houden van variatie. Variatie op het thema ei. Vandaag vond ik deze verzameling, van één dag, in het kippenhok. Ik neem aan dat zij wel weten wat van hen verwacht wordt als het eenmaal Pasen wordt. Ik word er in ieder geval helemaal vrolijk van en heb nu al zin in de lente en dan vieren we dat Pasen er maar bij. Wij wensen jullie dan ook net zo’n vrolijk Pasen toe.

Van dubbeldooier tot mini-ei. De ei-variatie kan enorm groot zijn.

Pé en Pé is twee.

Het was in de zomer van 2008. Op een mooie zonnige dag. In de schaduw van de notenboom. We kenden elkaar sinds september van het jaar 2007. De Hongaarse school, waar we les kregen en de hoop hadden deze taal op die manier goed te leren. Zij woonden toen al negen jaar in Hongarije. Peter en Edith. En wij waren de nieuwkomers. Peter noemde Edith É en Edith noemde Peter Pé. Maar aan zo’n persoonlijke benadering waren wij op die dag in die zomer van 2008 nog niet toe.

Wel was het grappige verschijnsel dat wij bij onze honden ook alleen de eerste letter van hun naam gebruikten, omdat dit zo lekker bekte op “ga je mee”. Het sein om te gaan wandelen. Dus werd Pip Pé en Jolene J (uitgesproken als Jay), gaan jullie mee?

Omdat Edith en Peter niet echt om de hoek wonen was de uitnodiging voor een lunch heel vanzelfsprekend. En een beetje uitsloven mag best als er mensen komen lunchen die van lekkere dingetjes houden. En er was gespreksstof zat om nog een hele week door te komen. Hun ervaringen in het voor ons nieuwe Hongarije waren voor ons dan ook heerlijk om naar te luisteren. Soms ook tenenkrommend, omdat onze culturen toch niet zo heel veel op elkaar lijken. Maar natuurlijk ook ons verleden en wat ons zoal naar Hongarije had gebracht.

Dus wij maar praten en eten. Pip werd daar ondertussen een beetje onrustig van. Legde zijn frisbee aan mijn voeten en bleef net zo lang naar mij staren tot ik dat ding dan eindelijk gooide. Een zacht irritant piepend geluid en weer die blik naar die frisbee. Ik kreeg er een beetje genoeg van dus ik riep: Pé hou eens op!! Je moet gewoon even wachten Pé! Peter legde zijn bestek neer en keek mij aan met grote blauwe ogen. “Wat heb ik gedaan? Riep hij nogal ontdaan. “Wat is er aan de hand?” Nu was het mijn beurt om nogal verbaasd te kijken. Je hebt helemaal niets misdaan. Hoezo denk je dat? Toen kwam het besef toch langzaam binnen.

Die middag hebben we dan maar besloten dat wij Peter vanaf dat moment Pé zouden noemen en dat Pip dan maar weer gewoon Pip genoemd moest worden. Het had wel wat voeten in aarde, want zo snel was die switch toch niet gemaakt. We hebben er vreselijk om gelachen want beiden Pé’s hielden hun act vol. Pip met zijn onafscheidelijke frisbee en gepiep en Pé die toch steeds maar weer zijn bestek neer legde als ik de hond tot orde riep. Het was de dag dat een mooie vriendschap begon.

Precies vijf jaar geleden is onze Pip overleden. En vandaag hebben wij Pé in het ziekenhuis bezocht. Een wonderlijke lieve man met een hart van goud, die zijn 85,5 jaar volledig geleefd heeft. Het einde is nabij, maar het zou ons niet verbazen als hij het nog een tijdje volhoudt. Maar bij deze toch alvast een ode aan de man die heeft laten zien dat humor en vriendschap heel goed samen kunnen. En dat Pé en Pé toch echt twee is.