Gevoelig dingetje.

Een kort vervolg op mijn voorgaande blog.

Toen we dachten dat we er waren, waren we er zeker nog niet. Toen de nieuwe, grotere kast, geinstalleerd werd zat daar ook gelijk een klein kastje bij die bij de minste geringste stroomstoring uitslaat. Bijvoorbeeld: is er iets mis in de keuken? Dan wordt dat deel van het stroomnet uitgeschakeld. Dit om kortsluiting te voorkomen. Een heel “gevoelig dingetje”.

Áron sloot alle draden weer aan, maar kon er niet achter komen op welke groep iets zat. Hij kon uit die dradenmassa geen plan herkennen of iets dat leek op een weldoordacht plan. Zodoende stapte ik in mijn sportschoenen om heen en weer te rennen en te ontdekken waar er stroom was. Het “gevoelige dingetje” had hij voor nu even uitgeschakeld. En zo rende ik van boven naar beneden, naar de garage, naar het buitenlicht, naar het binnenlicht en dan weer naar de badkamer. Dat was niet erg, want zo kwam hij erachter welke groep bij welk deel van het huis hoorde. Hij bracht alles in kaart met een heldere omschrijving. Nu werd het tijd om alle stroom er weer af te halen en het “gevoelige dingetje” terug te plaatsen om nu zodoende per groep te kunnen zien in welk deel van het huis het kwaad geschiedde.

Acht groepen. Waarvan eentje op de stroom bleef. Dat was de badkamer. Leek het vorige keer nog kermis, nu leek het wel hardcore disco. De een na de andere groep klapte eruit. Nu kon het ware onderzoek beginnen waar de problemen vandaan kwamen. Dat passeerde op donderdag 1 augustus.

Áron verscheen de volgende dag met een collega. Ze klommen als slingeraapjes de zolder op en aanschouwde daar iets wat ze nog nooit eerder hadden gezien. Oude, nieuwe en erg oude kabels lagen er door elkaar. Toen werd het uitzoeken en testen en nog eens testen. De temperatuur buiten klom op naar de 36 graden. Binnen ook, want de deur bleef open en de airco werkte (natuurlijk) niet.

In de middag leek het huis te worden bestormd. Twee man extra kwamen helpen om alle problemen te tackelen. Er vlogen codes door het huis waardoor er werd gerend van huiskamer naar slaapkamer, van Hans’ kamer naar de garage, van boven naar beneden. Nieuwe kabels werden getrokken, oude kabels eruit getrokken. Vrijdagavond om half zeven legde ze een noodverband aan via de boiler. Het “gevoelige dingetje” werd uitgeschakeld, zodat we zodoende stroom voor het weekend hadden. Maar wel met het verzoek om niet teveel tegelijk te gebruiken. Het gevaar was nog niet geweken. Maandagochtend nog een kleine klus om af te maken en dan zat het erop.

Maandagmorgen acht uur verscheen Áron met zijn collega. Het moet me van het hart dat deze gasten wel zo verschrikkelijk geduldig zijn (of lijken, maar we merkten eigenlijk weinig irritatie). Er moest een gat boven de stoppenkast komen. Daar waar voorheen ook zo’n speciaal dradengat zou moeten zitten. U kent ze wel, zo ergens bovenaan een muur, waar dan een klein plaatje voor zit, ik noem het maar controlegat, waar je dan kunt zien waar de bedrading zich bevindt. Want hoewel ik veel heb geleerd, zou ik de naam ervan niet weten. Dit controlegat was niet meer zichtbaar, omdat daar twee jaar geleden een splinternieuwe muur voor is geplaatst.

Na wat aanwijzingen vanaf de zolder zette Áron de zaag in de muur. En jawel, hij had precies goed gemikt. Een massa aan draden bleek daar verscholen te zitten. Alles werd genummerd en getest. Weer die hardcore disco door het huis. Aan het einde van de dag zag ik hun wit weggetrokken gezichten. Doodmoe van de verschrikkelijke ergernis door de chaos aan bedrading die ze steeds maar tegen kwamen. Ze zetten de kookplaat in werking, maar dat vond ik niet genoeg. De vriezer, de koelkast en ook de vaatwasser die vol stinkende afwas stond had ik toch graag voorzien van stroom. En het licht ook graag en als het kan ook de televisie vanwege de olympische spelen. Ze deden hun best en het meeste werkte toen ze vertrokken. Maar toen ik wat eten in voorbereiding had en de kookplaat aanzette, was dat het enige ding dat niet werkte. Ach, sla is ook eten. Nietwaar? En toen ik buiten kwam was dit mijn aanblik.

Erg hoopvol vond ik dat er niet uitzien. Maar volgens hen was het nu een kwestie van het aankoppelen van de juiste bedrading.

Dinsdagmorgen, klokslag acht uur. Áron vertelde dat het veel leek, maar dat dit toch wel met een paar uurtjes gebeurd moest zijn. Om één uur bracht hij zijn collega mee om het werk verder af te maken. Hoewel die mannen heel rustig zijn, soms bijna onzichtbaar lijken, nemen ze wel je hele huis in beslag. Denk daarbij aan de enorme stress en het gevoel dat dit probleem nooit of zeker niet snel opgelost kon worden. Als ik heel eerlijk ben verkeerde ik weleens in een betere staat. Vrolijker eigenlijk ook. Maar ik mocht natuurlijk niet laten blijken dat ik de moed al opgegeven had.

Ik zag steeds meer draden verdwijnen in de bijbehorende groep. En aan de houding van de jongens te zien leek het allemaal ineens heel voortvarend te gaan. Het ging ook voortvarend want ik zag en hoorde in huis de werking ervan. Licht, kookplaat, koelkast, vriezer, alles moest gecontroleerd. En alles werkte.

Dinsdagmiddag om half vijf namen we afscheid van beide mannen. Alleen één controle gat is nog open en een hanglamp. Daar moet nieuwe bedrading voor getrokken, maar de rest is nu piekfijn in orde.

Bij het zien van deze onderste foto ben ik toch maar blij dat ik er een kleine omschrijving van gemaakt heb. Want voor je het weet vergeet je hoe gevaarlijk en stressvol het eigenlijk was.

En dat “gevoelige dingetje”? Dat hoorde er in 2008 al bij te zitten en ook in 2022 toen alle nieuwe “stoppenkasten” werden geplaatst. Het is verplicht. Vooral om dit soort excessen zoals bij ons te voorkomen. Het vermoeden bestaat, dat zowel de eerste elektromonteur als nog een andere elektromonteur als Aittla het “gevoelige dingetje” niet hebben geplaatst, omdat daar dan teveel werk van zou komen. Tja, wat zal ik zeggen? Nee, ik zeg het niet en schrijf het ook niet. Alleen misschien dat mijn gevoelens voor dit soort mensen tot het vriespunt gedaald zijn. Dat komt mooi uit, het wordt deze week nog 40 graden.

Over drie fase, Ampere en misschien zelfs wel Watt. Wat?

Het was op 11 juni van dit jaar dat de stroom om negen uur in de morgen uitviel. Ik belde Atilla, de elektricien die alle nieuwe stroomvoorziening had geinstalleerd voor de toen nog nieuw te plaatsen zonnepanelen. Dit is ruim anderhalf jaar geleden. Atilla klinkt altijd alsof je hem net uit bed belt, slaperig en loom. Ik legde het probleem uit en Atilla wist meteen het antwoord: daar kan ik je niet mee helpen, dan moet je bij de EON zijn, dat is de leverancier die ons van stroom voorziet.

Goedgelovig als ik ben, belde ik en zie daar, vijf uur later stonden er twee mannen voor de poort waaraan je niet af kon lezen dat het echte probleemoplossers waren. Niet het soort dat de vierdaagse van Nijmegen zou lopen zeg maar. Nou weet ik toevallig heel veel van die vierdaagse van Nijmegen, want Arwen heeft hem dit jaar voor de derde keer gelopen. Van haar weet ik hoeveel training en energie daar in gaat zitten. Ik heb dit voorjaar zelfs een kleine trainingsronde met haar gelopen. Hoewel ik eerlijkheidshalve moet zeggen, dat het voor haar een soort “uitloopdag” was. Zo’n dag na veel trainingsdagen, dat je dan nog een kilometer of tien rustig kan wandelen. Hetgeen voor mij natuurlijk wel als een hele training voelde. Maar goed, dat soort mannen waren het zeker niet. Eerder een beetje te zwaar en zweterig.

Op de veranda klapten ze de zogenaamde “stoppenkast” open. Zagen dat er bij fase drie een knopje naar beneden was geklapt. Knopje weer omhoog en het hele huis was weer voorzien van stroom. Lullig dingetje dat we natuurlijk zelf ook wel op hadden kunnen lossen. Ik snap ook best wel dat ze in de auto in hun broek hebben zitten pissen van de lach. Altijd weer die stomme buitenlanders. En bij het schrijven van de rekening moeten ze nog harder gelachen hebben. Wij lachten daarna iets minder, maar dat doet er nu even niet toe.

Op diezelfde dag van die 11e juni van dit jaar om vijf uur in de middag viel de stroom weer uit. Mijn spoedcursus “fase drie” van die middag kwam mij goed van pas. Knopje was naar beneden dus wipte ik het knopje in een tel weer omhoog. Het hele huis weer voorzien van stroom.

De dagen daarna begon het een beetje te spoken hier. Fase drie bleef erin, maar elke dag viel de stroom er wel een keer voor een seconde uit. Met als gevolg van een herstartende waterontharder (die daarna gelijk ontregeld is een geheel eigen programma gaat beginnen), espressomachine ging aan en het gelijk weer uit, de airco in de woonkamer (die toen al loeide vanwege de hitte) uit en aan en aan de andere kant van het huis een hard gevloek. Want Hans’ ruim zestienjarige computer vloog er ook steeds uit. Nu kunnen gemiddelde apparaten al niet goed tegen stroomstoringen, zo’n oude grote Apple al helemaal niet. Want het blijf altijd maar weer de vraag of het oude beesie nog wil opstarten. Gelukkig hoorde ik dan na een minuut “het sein meester” maar een mens houdt zijn of haar hart er toch bij vast.

Vanaf de 11e juni van dit jaar hebben wij ons hart elke dag vastgehouden. En het kwam altijd op verschillende tijden. Nooit was één dag hetzelfde tijdstip. Tot vorige week vrijdag (de 19e juli) toe. Ondertussen bleven we bellen met mensen die er misschien verstand van zouden kunnen hebben. Atilla de elektricien bleef maar zeggen dat het of de EON was of iets in ons huis. En Hans had bijna elke dag wel contact met een man van de zonnepanelen. Ze kwamen er niet uit. Wij ook niet, want het besef van branduitbraak door stroomstoring (Hans heeft dat jaren geleden ervaren en heeft daar nog steeds een trauma van) zat ons helemaal niet lekker.

Tot vrijdag de 19e juli van dit jaar. Overdag ging de stroom er wel drie keer af, maar in de avond, zo rond zes uur leek het wel kermis. Tot kwart voor acht vloog de stroom er zeker acht keer uit. En gelijk weer aan natuurlijk. In blinde paniek belde Hans de man van de zonnepanelen. Maar ja, vrijdagavond, dus weekend. Maar hij beloofde wel dat hij direct iemand zou sturen om de boel de controleren. Op maandag, dat dan wel weer.

In het weekend bleef het angstig rustig. Vreemd dat je angstig wordt als de stroom er niet afgaat. En daar kwam hij dan op maandag, de elektricien. Mooie kop, fel blauwe ogen waar je ook zomaar bang van zou kunnen worden, natte handdoek in zijn hals om de koelte van die bloedhete dag te bewaren. Zijn naam is Zoltán. Hij gooide de deurtjes van de “stoppenkast” (ja, er zitten natuurlijk helemaal geen stoppen meer in en hoe noem je dan zoiets?), schroefde het deksel van de stroomverdeler, die het huis in gaat, eraf en deed een stap achteruit. Hij keek bedenkelijk. Dat voorspelt meestal niet zoveel goeds. Maar ondertussen fikste hij een probleem tussen de wifi en de zonnepanelen (waar we al anderhalf jaar om hadden gevraagd), nam een stuk papier en ging zitten voor een uitgebreide uitleg. Nu ben ik zeker geen analfabeet in het Hongaars maar zijn tong was wel heel erg rap. Dus legde hij het nog een keer uit, nu iets rustiger zodat ik het begreep.

Nu begreep ik zijn woorden heel goed, maar ik heb geen verstand van elektra. Daarom zal ik het in mijn eigen woorden uitleggen. Het werk van Atilla was volkomen shit. Tegenover fase drie had een heel andere verdeling moeten staan. Het kastje voor de stroomvoorzieningen naar het huis was vele malen te licht en raakte daarom over de toeren. Er moest een nieuw kastje komen, zwaarder en groter. Tja, daar sta je dan met je goede gedrag. Denkend dat alles helemaal in orde is, dat alles goed voor elkaar is. Buiten dat ik Atilla sloom en slaperig vond, vond ik het nu ook ineens een enorme oetlul. Ja, ik zeg het maar, dan is het er ook gelijk uit.

Om zeker te zijn van de woorden van Zoltán belde ik Mihaly die wij al jaren kennen en sinds enige jaren een eigen bedrijf heeft. Of hij wilde komen kijken en checken wat er nu echt aan de hand is. Toen ging het ineens snel, omdat er haast geboden was. We kregen uitleg hoe en wat en vooral ook hoe gevaarlijk. Hij kent Zoltán goed en noemt hem een van de beste elektromonteurs. Zoltán had het heel goed gezien. Nu moesten we doorpakken.

Gisterenmorgen verscheen Aron, een jonge leuke knul met veel geduld en heel veel verstand. Hij heeft eerst de bedrading in het kastje hersteld, omdat het allemaal over en door elkaar heen was aangesloten. Daarna zou hij een berekening maken voor wat er allemaal nodig is om de hele boel weer goed te krijgen. Dat duurt heel even, want de nieuwe, grotere kast moet eerst besteld worden. Maar, zei hij, je bent nu in ieder geval veilig.

Gisterenavond echter, tijdens het bakken van twee prachtige eendenborsten, vloog de ceramische kookplaat eruit. Dood. Geen warmte meer uit te krijgen. Gelukkig wel in de bbq, die Hans snel aan had gestoken, zodat we de koperen pan op een lekker knapperend vuurtje konden zetten.

Vanmiddag kwam Aron weer, keek naar de aansluiting van de kookplaat en lachte bijna schamper. Hoeveel onzinnige elektromonteurs hier in Hongarije rondwaren, dat werd hem toch ook steeds duidelijker. Maar de ceramische kookplaat kookt weer. En morgen komt hij terug met een nieuwe kast. Wordt alles opnieuw aangesloten en kunnen wij weer heel rustig gaan slapen. En weet ik in ieder geval ook waarom ik die DigiD heb aangevraagd (zie de blog hieronder).

Persoonsgebonden zaken.

Allereerst een nieuw paspoort. Dat noem ik een persoonsgebonden zaak. Daarvoor reisden wij vorige week af naar Budapest. Hoewel ik mijn bedenkingen had bij het weer, 40 graden in zo’n grote stad is voorwaar geen kattenpis, bleek dat de tijd erna de temperaturen niet veel gematigder zouden zijn. Dus we gingen. Met de trein. Eerste klas. Dat laatste had de oh zo aardige mevrouw van het treinkaartjesverkooploket ons aangeraden. Het toverwoord was airco.

Om half zes in de morgen vertrok de trein richting Budapest waar wij om kwart voor acht aankwamen. Volkomen onderkoeld. Mensen met ervaring hadden dan ook een hele garderobe bij zich, inclusief warme sokken. Ik moet er jaloers naar gekeken hebben. Vooral naar die vrouw met haar grote zwarte omslagdoek. Met opgetrokken benen was ze bijna helemaal ingepakt. Slechts haar voeten, die in warme sokken gestoken waren, staken er nog onderuit. Terwijl haar teenslippers onder haar stoel stonden. Die sokken had ze niet aan toen ze aankwam in de trein.

We stapten dus uit. Eenmaal buiten op het plein met heel veel banken, heel veel beton en geen boom te zien, kregen we de klap van de hitte die nog erger leek door de onderkoeling van de ruim twee uur daarvoor. Het verblijf in de stad was een geseling voor huid en geest. Eerst een pasfoto laten maken bij een winkel die daar speciaal voor aangewezen is. Nu is het zo, als je om vier uur je bed uitkomt, om vijf uur van huis vertrekt zonder ontbijt (dat zouden we gezellig in Budapest doen), ruim twee uur verkleumd bent geweest van de kou en daarna in de hel brandende zon stapt, je niet op zijn florissantst uitziet. Kreeg ik tien jaar geleden nog een borstel om mijn hele korte haar te kammen, dit keer was er geen tijd om in de spiegel even mijn doorgelopen mascara weg te vegen en mijn verwarde lange haren te kammen. Bij de ambassade vonden ze de foto gelukt. Een ieder begrijpt dat ik daar heel anders over denk. Het ontbijt overigens was gezellig, maar dat kwam niet omdat het lekker was.

De reis terug ging met enige vertraging, omdat we de trein hadden gemist. Niet omdat we te laat waren, maar omdat de trein van een ander perron was vertrokken dan aangegeven stond op het plakkaat op de muur. Bedenk daarbij 40 graden buiten, binnen geen verkoeling, maar wel honderden mensen (jong en oud) die zaten te wachten op hun trein. Die twee uur vertraging zal voorlopig nog wel even in ons geheugen blijven. Toen we dan wel op het juiste perron en in de juiste trein stapten bleek er een vertraging van een half uur te zijn. Precies waar de zon op het treindak brandde en de airco nog niet werkte, omdat de trein nog niet reed. Wij kusten bij thuiskomst om zeven uur in de avond zowel de vloer van ons huis en onze airco. Waarbij wij onszelf ook gelukkig prijsden dat wij onze paspoorten laten opsturen en hiervoor niet opnieuw naar Budapest zullen reizen om het vernieuwde exemplaar op te gaan halen. Gelukkig is het afhalen niet persoonsgebonden.

Wat ook persoonsgebonden is, is het aanvragen van een DigiD. Nu had ik mij er vorig jaar al in verdiept, maar dat hielp niet. Het wachten voor het maken van een afspraak, waarna de tijd weer verliep en je weer helemaal van voor af aan kon beginnen. Na vele pogingen gooide ik de handdoek in de ring, met alle verwensingen van dien. Maar alles wat je over jezelf wilt weten gaat via die methode. De methode die ik aan de kant had gegooid, omdat ik ook weet dat het niet verplicht is om een DigiD te hebben. Maar wel handiger. Nu de hitte ons toch vacuum trok in huis besloot ik mijn tijd te gaan gebruiken voor mijn persoonsgebonden activiteiten. En dit keer zou ik mij door niets uit het veld laten slaan, dat was zeker. Toen ik het eenmaal doorkreeg pakte ik die van Hans er ook maar bij, want ook zijn DigiD was al jaren verlopen. Voor Hans ging er een brief onderweg met zijn gegevens. Ik had een afspraak met de Nederlandse Ambassade in Den Haag om te videobellen. Ik had een afspraak om 12.40 uur en zat om 12.30 uur al startklaar met alle gegevens bij de hand. Maar om 12.50 uur had ik nog steeds geen contact. En omdat ze het daar ontzettend druk hebben is de tijd beperkt. Er begon iets in mij te borrelen. En ook een beetje te grommen. Ik voelde hoe dicht ik bij de oplossing was terwijl ik keek naar een beeld dat mij steeds weer opnieuw vertelde dat ik het opnieuw moest proberen. Toen ging de telefoon. Waar ik bleef. Ze zaten op mij te wachten. Mijn tijd was bijna verstreken. Ik was de wanhoop nabij. Oh nee, niet weer!! Ze zou een collega voor mij inplannen en ik moest proberen door het euvel heen te breken. Hoe? Geen idee! Maar ik bleef van alles proberen en toen ineens las ik de woorden: Alle medewerkers van de ambassade zijn in gesprek, een ogenblik geduld aub. En daar verscheen zij, mijn engel, een uur later dan gepland, maar ze was er. Met zwarte haren en een aardige snoet. Ze had haast, dat moet gezegd, want ik was “een zaakje tussendoor”.

Toen het eenmaal werkte logde ik direct in bij mijn persoonsgebonden gegevens. En wat zag ik daar? Twee pensioenen? Dat is mooi, want mijn AOW is met 1/3 gekort, omdat ik al 17 jaar in het buitenland woon. En nu ik toch nog binnen zat vanwege de hitte klom ik maar gelijk in de telefoon. Tja, het bedrag per maand is niet zo heel hoog vertelde de mannenstem, alsof ik het bedrag niet zelf gelezen had. Hij deed mij een aanbod om het misschien in één keer uit te keren. Ik mocht er nog over nadenken. Dat deed ik, één seconde. Gezien mijn leeftijd en mijn achternaam lijkt het mij zinvol het bedrag in één keer uit te keren, sprak ik langzaam. Nu ik nog leef lijkt het mij fijn ervan te genieten, je weet nooit hoe oud iemand wordt. Daar was hij het helemaal mee eens.

Het volgende persoonsgebonden gesprek verliep iets anders, maar zeker ook heel plezierig. Er is een wereld voor mij open gegaan. De gesprekken met de mensen van deze callcenters verlopen allemaal zo plezierig, dat ik tijdens deze oververhitte dagen wel elke dag een vraag zou kunnen verzinnen om met ze te bellen.

Ook vanmorgen, nadat wij ontdekten dat Hans nog een pensioen van 7 euro per jaar bleek te hebben. Naar later bleek nog uit de tijd dat er pensioenzegels geplakt moesten worden. Ook dat persoonsgebonden bedrag wordt binnenkort in één keer uitbetaald. De hitte blijft nog even aan. Eens kijken of ik nog meer persoonsgebonden activiteiten kan verzinnen.

Prinses.

Het was afgelopen vrijdagmiddag dat zij voor de poort stonden. Richard en János. Een paar dagen daarvoor had Richard beloofd het brandhout te komen zagen en kloven en het houthok weer aan te vullen met hout dat nog over is van vorig jaar. Het kwam een beetje lastig uit, omdat wij die middag een afspraak elders hadden (nee, geen functie. Een afspraak). Richard vertelde dat het geen probleem was als wij er niet zouden zijn. Zij waren tenslotte toch gewoon aan het werk.

Hans legde kettingzaag, brandstof en olie klaar voor hen. Zij verdwenen de tuin in en ik sloot het hek achter hen. Niet op slot, maar gewoon dicht zodat de honden hen niet in de weg zouden lopen. En zo verdwenen wij naar elders.

Bij thuiskomst, ergens aan het einde van de middag, bleek het toch iets anders gegaan dan verwacht. Al snel na ons vertrek bleek de kettingzaag niet goed gespannen te staan en bleek een beetje bot. Nu zijn die gasten niet voor één gat te vangen. Richard had thuis nog een heel klein vijltje liggen, dat hij voor dit soort werkzaamheden altijd bij zich heeft. Maar goed, dat lag dus thuis. Het is niet ver lopen, geen probleem. Of toch wel. Toen hij het hek wilde openen stond daar ineens een feeks van een zwarte hond met blikkerende tanden. Sissi. Geen schijn van kans dat hij de achtertuin uitkwam. Nu was het een paar jaar geleden ook al eens het geval. Toen wij thuis kwamen en drie jonge mannen het stookhout zaagden, vonden wij de overbuurjongen (die toen ook nog hielp met stookhout zagen) bovenin de notenboom. Met daaronder een razende Sissi. Pas toen wij haar kalmeerde kon hij weer afdalen. Gelukkig was hij jong, snel en lenig.

Toch best wel stoere binken.

Met lieve woorden en gebaren bleef Richard rustig achter het hek. Ze zou wel bedaren, maar dat deed ze niet. Uiteindelijk besloot hij via de achtertuin naar de tuin van de buren (die er niet meer wonen) te gaan en zo kon hij vrijelijk de straat opkomen en naar huis wandelen. En weer terugkeren natuurlijk, want bij thuiskomst hadden ze bijna alle hout al gezaagd. Klaar om gekloofd te worden. En toen wij het werk gingen bewonderen liep Sissi met ons mee. Zwaaiend met haar staart naar Richard. Het leek alsof ik een lach op haar gezicht kon waarnemen. Iets van gna gna gna! We moesten er om lachen en ik vertelde dat wij haar dat waakse nooit hebben bijgebracht.

De volgende dag kwamen ze terug om het werk af te maken. Zelf ging ik in de moestuin aan de slag en hek bleef open. Bence lag bij mij en een stukje verder lag Sissi. Alles volgend wat die gasten toch allemaal aan het doen waren. Niet vals. Geen blaf. Geen grom. Alleen waaks.

De dag erna was het nog slechts een kwestie van opstapelen. Al het gekloofde hout gestapeld in een kraal. Het hout van vorig jaar werd naar het houthok gereden en professioneel gestapeld. Sissi was ondertussen niet bij ze weg te slaan, omdat ze iets had geroken onder het hout. Toen ze bij de onderste laag van het hout aankwamen bewoog daar ineens iets. En vanuit het niets schoot daar ineens een joekel van een rat tussenuit. Maar niet ver. Sissi was sneller dan de rat. Ze sprong op, opende haar bek, er klonk nog gegrom en gegil van de rat, maar niet voor lang. Ze beet de rat in één keer dood. Zowel Richard als János stonden met open mond. Wat een hond! Hans en ik moesten het verhaal wel vijf keer horen, ze konden er niet over uit. Ondertussen stond Sissi bij haar prooi. Ze keek me nogal fanatiek aan, nam de dode rat in haar bek en kwakte hem weer tegen de grond. Dit herhaalde ze enkele malen. Met andere woorden: kijk eens hoe goed ik ben! Heb ik gedaan! En natuurlijk overstelpten wij haar met complimenten, die ze in dank aanvaarde.

Het was een kwestie van een paar seconden, zonder lijdensweg.

Sissi is een bijzondere hond. Tien jaar geleden kwam ze bij ons als pup. Geboren in het dierenasiel waar ze met haar moeder verbleef, afgedankt. Maar gered door Pieter en Ingrid. Die moeder en kind mee naar huis namen. De moeder, genaamd Fay, een donkerbruine ontzettend lieve bordercollie, heeft een zacht karakter. De vader kennen we niet, maar het vermoeden bestaat dat het of een olifant of een krokodil moet zijn geweest. Laat ik zeggen dat ze nogal een stevig karakter heeft.

Wat Sissi zo bijzonder maakt, is dat ze beschermend is. Zes jaar geleden, toen Bence nog een pup was, kregen we bezoek van een vrouw met een hond. Ze bleven een nachtje logeren. De hond was lief en verliefd op Bence. Maar Bence was nog jong en kon zoveel amoreuze aandacht niet echt waarderen. Hij vluchtte steeds een beetje tot Sissi er genoeg van kreeg. Steeds als de hond richting Bence liep, gooide Sissi haar lichaam zachtjes in de strijd. Zo van: weg jij hier. En versperde de weg. Zo ook toen de hond aandacht kreeg voor die toch ook heel interessante kippen. Geen schijn van kans. Steeds weer als de hond aanstalten maakte, versperde zij hem de weg en stuurde hem een andere kant op. Zonder geluid, zonder ook maar één grom. Alleen haar ogen en haar lichaam. De hond gaf het uiteindelijk op.

Maar ook op die mooie dag in augustus, enkele jaren geleden. Ik zat op het terras achter het huis met vriendin Margreet, die een weekje had gelogeerd en wij nog even op haar laatste dag de dingen doornamen. De zon scheen en alles leek rustig. De krielkipmoeder liep dartel met haar mini kuikens door de tuin. Tot ik ineens een bruine hond zag. Eerst natuurlijk wel goed kijken, want we hadden zelf geen donker bruine hond. Toen drong het tot mij door. Een vos!! Schreeuwde ik en rende naar het houthok waar zich een niet zo’n fraai tafereel afspeelde. De krielmoeder had zich tot drie maal haar ware grootte opgeblazen, om zodoende haar kuikens te beschermen. Ik schreeuwde tegen de vos, klapte in mijn handen, maar niets leek hem af te schrikken. Wat een mooie kop, dacht ik nog. Terwijl hij met klappende kaken, zoals het packman computerspelletje van vroeger, richting de opgeblazen moederkip sloop, was daar Sissi. Uit het niets, zo leek het. Ze keek de vos aan, ging voor de opgeblazen moederkip staan en stuurde de vos met haar lichaam een andere kant uit. De vos verdween over het hoge hek, zodat we precies wisten waar hij ook binnengekomen was. Daar hangt nu al jaren een groen doek, zodat hij niet meer binnen kan komen. En Sissi? Die liep trots en arrogant (een beetje met zo’n houding van: jullie kunnen ook niks) terug naar haar bench. Onze Sissi, onze prinses. Voor niets of niemand bang. Alles en iedereen rondom het huis beschermend, tot aan de poezen toe. Dat het halve dorp bang van haar is begrijpen wij wel een beetje. Maar ze heeft nog nooit, echt nooit iemand gebeten. En dat willen we wel graag zo houden. Onze prinses.

Hardleers.

Het was in september van het jaar 2007. We woonden hier net een half jaar. Hans kwam binnenwandelen met goed nieuws: er wordt in Szigetvár een Hongaarse taalschool geopend en we kunnen ons nog inschrijven!! Tijdens de inschrijfdag, gelukkig nog allemaal in het Nederlands, was het een drukte van belang. Sommige waren nieuw, net als wij en andere woonden hier alweer enige jaren. Maar met elkaar hadden we een doel: die verdomd moeilijke taal leren.

Zelf was ik al een jaar bezig geweest met zelfstudie. Dvd’s, taallessen op het internet en boeken. Nou ja, boeken. 1 boek, maar dat bleek een antwoordenboek te zijn, het vragenboek bleek niet meer voorradig te zijn. Maar daar kwam ik later pas achter. Eigenlijk kun je wel stellen dat ik geen boek had, want aan antwoorden zonder vragen heeft een mens niet zoveel. Wel leerde ik elke dag een uur, met de dvd’s, want mijn stelling was: ik wil niet leven in een land waarvan ik de taal niet spreek. En die stelling had wel een beetje daadkracht nodig.

De eerste les in september 2007 werd druk bezocht. De tweede les ook en de derde les ook. Nathan, onze leraar, stelde voor om er twee groepen van te maken, want over de twintig leerlingen was best veel. En zo geschiedde. Wij verhuisden met een groep van zeven naar de middag. En alle zeven maakten we trouw ons huiswerk en verschenen elke week weer op tijd voor de les. De andere groep daarentegen werd steeds kleiner. Het waren vooral mannen (ja, sorry hoor) die ermee kapten. Een paar veel gehoorde kreten waren: “dit ga ik nooit leren” of “ik leer het wel van de mensen en op straat”. Daar gingen ze, een taalarmoedige toekomst tegemoet.

Al na het eerste seizoen ging de taalschool ter ziele, omdat er niet meer genoeg leerlingen waren. Nathan maakte nog een doorstart met ons, groep van vier (en we zijn nog steeds vrienden), ergens in een bovenzaaltje van een aftandse pizzeria waar het donker was en ongezellig en waar de koffie de hele nacht leek te hebben gekookt. Slechts enkele maanden mocht dit duren, want Nathan kreeg een mooie baan aangeboden in Budapest.

Ondertussen zochten wij naarstig naar een mogelijkheid om die verdomde taal toch te leren. Maar gelukkig had ik de lesboeken nog en ging al snel over tot weer een”zelfstudie”. Welnu, enkele jaren later vond ik een lerares die ik eigenlijk al jaren kende, maar waarvan ik niet wist dat zij ook privéles gaf. Ik werd aangenomen. En kreeg les via skype. En dat was maar goed ook. Want in het eerste jaar van de voortzetting van mijn Hongaarse lessen moest ik vooral “afleren”. Ik had die studieboeken anders uitgelegd dan de oorspronkelijke bedoeling was. Ik had mijn eigen taal ontwikkeld die niemand anders goed verstond dan ikzelf. Mijn woordenschat in de Hongaarse taal was zeker veel groter geworden. Alleen moet je dan wel verstand hebben van de vervoegingen. En dat had ik niet, dat verstand van vervoegingen. Hans luisterde de eerste lessen mee maar haakte af om zijn eigen redenen.

De privélessen vond ik best zwaar en de lerares werd nooit boos, omdat ik mijn huiswerk weer eens niet helemaal had gemaakt of helemaal niet. Maar daar kwam verandering in. Vriendin M kreeg al jaren privéles bij Timi (onze lerares) thuis. Maar door corona was dat niet meer mogelijk. We schakelden over van skype naar zoom en zo kon het dat zowel M als ik allebei vanuit huis met elkaar Hongaarse les kregen. Nu we toch samen les kregen werd ik wel fanatieker in mijn huiswerk. Want niets is zo lullig als met een mond vol met tanden zitten, terwijl de ander zich de pest heeft zitten leren. En niet veel later bleek dat dit ook voor M gold. We werden er beiden zeker beter op.

In 2022 veranderde er iets in de wet. Timi gaf les op de universiteit aan buitenlandse studenten en tevens privélessen aan ons en nog wat andere mensen. Dat mocht niet meer. Ze moest een keuze maken: universiteit of privéles. We voelden de bui al hangen. In paniek maakte ik een account aan bij Duolingo. Een programma waar bijna alle talen van de wereld te leren zijn. Ik begon als beginneling en vloog als het ware door de lessen heen. Gelijk een dolfijn door het water en gelijk een slang door het gras. Maar de eerste ergernissen kwamen al snel. Vreemde zinnen als: de kleuterjuffrouw vliegt boven de school of de politieagent zwemt onder het café (of zoals bij vriendin S die Grieks leert via Duolingo. Ik geef de aap een ijsje). Maar wat ik nog het meest miste was de communicatie. Een taal kun je lezend leren, maar je moet het ook kunnen uitspreken en dat is in het Hongaars nogal een dingetje.

Maar er kwam verlossing van de zijde van Timi. De lessen konden toch weer fijn opgepakt worden. Aan het begin van dit jaar kwam er een nieuw voorstel. Tja… goh… alles was in de tijd wel een stuk duurder geworden, zo ook onze lessen. Timi had nog twee Duitse damesleerlingen die op hetzelfde niveau zaten als M en ik. Timi wilde ons graag samenvoegen om zo de kosten een beetje te drukken. Na de eerste les met z’n vieren had ik er niet veel vertrouwen in dat het goed zou komen. Maar nu, ruim twee maanden later zijn we er blij mee. Ook Timi. Want iedereen schijnt het huiswerk fanatiek te maken. Na boek A1 -A2+- B1+en nu twee herhaal en vervolgboeken verder geef ik toe dat ik hardleers ben. Maar ik heb in de afgelopen 17 jaar (met helaas wat lange onderbrekingen) toch best wel wat opgestoken. Het gevoel dat ik het nooit zal leren, ebt nu wel een beetje weg. Dus blijf ik hardleers.