Zijn er genoeg tranen voor dit verdriet.

Ergens rond het jaar 2000 kreeg ik van Dorothé en Frans (en de kinderen natuurlijk) een jeugdboek “Voor altijd samen, amen”. Van de schrijver Guus Kuijer met schitterende illustraties van Alice Hoogstad (op haar illustraties ben ik voor altijd verliefd gebleven). Het heet een jeugdboek maar zou eigenlijk door iedereen gelezen moeten worden. Veel wil ik er niet uit verklappen, maar één zin uit dat boek is mij voor altijd bijgebleven: “Is er genoeg lucht voor onze kastelen”? Dus de aanhef van dit blog is niet helemaal van mijzelf. Ik heb de zin gebruikt en mijn eigen woorden eraan gegeven.

Aan het einde van het jaar 2025 hebben wij elkaar innig omhelst en geklonken op een nieuw, beter, vrolijker en gezonder nieuw jaar. Het grote verlies van vrienden en familie aan die afschuwelijke ziekte. Kanker. Behalve mijn zwager dan, die overleed aan kanker en een gebroken hart na het verlies van zijn vrouw, mijn zus.

Opgelucht traden wij het jaar 2026 in, maar lang duurde dat niet. Want al op 2 januari kregen wij het eerste onheilsbericht. Bij mijn lieve zus Ineke was uitgezaaide, niet te genezen longkanker ontdekt. Nooit gerookt. Altijd succesvol gesport en altijd gezond gegeten. De longarts noemde het vette pech. Vlak daarna belandde mijn andere, ook lieve zus Anneke, met een herseninfarct in het ziekenhuis. En of het allemaal nog niet genoeg was, en ik begrijp best dat je er al genoeg van krijgt om verder te lezen, kregen we het onheils bericht uit Nederland dat Hans’ jongste dochter Mitone uitgezaaide alvleesklierkanker heeft.

Het besef dat een kind kan gaan sterven doet iets met je hele wezen. Het trekt in elke vezel van het lichaam. Het verstikt. Het vernauwd het heldere denken. Tranen lijken een uiterlijk vertoon, omdat het niet weergeeft hoe het er vanbinnen werkelijk voelt. Het is woede, onmacht die een hartverscheurende pijn veroorzaken.

We lieten ons huis achter in de handen van Arwen en Ron, die hier voor de 20ste keer waren. Het zou eigenlijk een heel bijzondere twee weken moeten worden. En dat waren het ook, alleen niet in die zin van fijn en prettig. Natuurlijk wel de eerste week toen er nog niet veel aan te hand bleek. We lieten ons huis achter met honden en katten en kippen die allemaal verzorgd moesten worden. Voor ons een makkelijk al jaren dagelijks ritueel, maar voor hen allemaal nieuw. Maar we lieten ons huis achter in vol vertrouwen. En terecht. Het was op een vroege dinsdagmorgen. 28 april 2026.

We reden naar Nederland, vol obstakels, files en ongelukken. Het stressgehalte in de auto bleef laag. Onze gesprekken stokten pas toen we doodvermoeid in een Duits hotel in slaap vielen. De helft van de rit lag achter ons, dus lag de andere helft van de rit nog voor ons.

Als we al dachten dat dinsdag niet de beste dag was om door Oostenrijk en Duitsland te reizen, dan moet gezegd worden dat woensdag al helemaal niet te doen is. Urenlang langzaam rijden en stilstaan. De routeplanner gaf aan dat we rond drie uur in Rotterdam zouden zijn. Maar na nog meer obstakels en files kwamen we eindelijk rond half acht in Rotterdam aan.

Het weerzien met Mitone en Michel en Annatasja en Milan was warm en emotioneel. Alles was uit de kast getrokken om ons welkom te laten voelen. En zo voelde het ook. Het was mooi om te zien hoe vader en dochter, Hans en Mitone, elkaar met een selfie voor eeuwig vastlegden. De hardheid van het bestaan leek even in mist gehuld alsof we hier niet waren waarvoor we gekomen waren. Maar dat was uiterlijke schijn. Hen allemaal te zien en te voelen en vast te houden en te knuffelen. Het was een gouden moment met een gitzwarte rand.

Anne Marie, vriendin sinds hele vele jaren, had op ons gewacht met eten en een heerlijk glas wijn. Daarna schoven we in ongeveer het allerheerlijkste bed waarin we ooit geslapen hebben. Zij stond het aan ons af en sliep zelf in de logeerkamer. Hoe rijk kan een mens het hebben?

Donderdag alweer. Eerst tijd voor een kroketje, zoals altijd als we in Nederland zijn. En natuurlijk even naar de Hema voor sokken en slipjes en t-shirts en hemdjes. Een soort vreemde verstrooiing voor zulke emotionele dagen. Ik belde mijn zus Anneke. “Ben je thuis”? Stomverbaasd was ze. “Maar kom je dan langs”? “ja, straks, als dat goed is”? En natuurlijk was dat goed. Verbaasd was ik hoe goed ze eruit zag en hoe ze zich toch redelijk goed door haar huis bewoog. Anneke, een zus met een veerkracht die zijn weerga niet kent. Daar kan ik nog heel veel van leren.

Hans, ondertussen, herstelde niet echt van de barre heenreis naar Nederland. Warrige dromen en verdriets-stress hielden hem uit zijn slaap. Maar op vrijdagmorgen lokten moorkoppen en ijzerkoekjes bij de koffie. Eindelijk konden we mijn zus Ineke en zwager Koos omhelzen. En natuurlijk gingen de gesprekken over toekomst en de angsten daarvoor. Maar ook de realiteit om te bezien wat de medische wetenschap haar allemaal te bieden heeft. En daarbij blijken nog wat strohalmen te zijn in de vorm van medicatie (nee, geen chemo of bestralingen) die haar leven voor enige of langere tijd zouden kunnen verlengen in de vorm van een redelijk normaal leven.

De intensiteit van dit soort dagen vragen veel van een lichaam en geest, maar tegelijk ook de warmte van al dat weerzien maakt het dat dit het allemaal waard is.

Zaterdagmorgen vroeg, het was 2 mei, reden we terug naar Hongarije. Het zou een achteraf niet zo’n verantwoorde reis worden. Eigenlijk helemaal niet verantwoord. Maar toch reden we door tot dat we aan het einde van de avond thuis waren. Gesloopt, hongerig, dorstig, maar omringd door honden en katten die in fijne handen waren achtergebleven. We zijn Arwen en Ron voor eeuwig dankbaar dat zij ons deze mogelijkheid hebben geboden. Mooie vriendschappen zijn niet voor het oprapen en deze zeker niet. En ook zeker niet als je bij thuiskomst ziet dat de vuilnisbakken een veilig onderkomen hebben. Een onderkomen waarbij Brigi geen schijn van kans heeft om die overhoop te halen.

We probeerden het leven weer een beetje op te pakken. Dingen aan te pakken die nodig zijn als je een redelijk groot grondstuk hebt. Het aanleggen van de nieuwe moestuintjes met mooie schaduwplekken hadden we met Arwen en Ron al afgemaakt, alleen die moesten natuurlijk nog wel gevuld worden met lekkere dingetjes om later te kunnen eten. Voorzichtig aan begon ik met de invulling en vond ik in het buiten werken een verlichting. Voor hoofd en voor ziel. Maar Hans herstelde maar niet van de reis. Stoer riep hij: “Maar tijdens de Dakar reed ik een marathon van 48 uur achter elkaar”. Ik draaide mij om en zei: “Maar lieve schat, dat is wel veertig jaar geleden”.

Hij begon slechter te slapen, maar overdag werden zijn korte slaapjes op de bank steeds veelvuldiger. Ik spoorde hem aan dat minder te doen, zodat hij in de nacht wat meer door zou slapen. Maar het lukte niet. Een vreemde hoest en pijnen die steeds weer ergens anders bleken te zitten. De verdriets-stress leek hem volledig op te vreten.

Ik zag het gebeuren. Ik voelde het gebeuren. Het was op de dag dat wij bij Esther en Frank op de koffie waren. Tijdens een fijn gesprek stond Hans op en riep dat hij niet meer kon en dat hij naar huis wilde. Ik zag iets aan zijn verschijning waarvan je zou kunnen zeggen dat iemand breekt. Totaal breekt.

Na het weekend maakte ik een afspraak met de huisarts. Ik vertelde als in een stortvloed wat er allemaal aan de hand was en dat ik het vermoeden had dat de stress Hans aan het opeten was. Ze nam zijn bloeddruk op, die was gelukkig goed. Ze beluisterde zijn longen. Niets vreemds te horen. Schreef hem een slaapmiddel voor (op mijn en zijn verzoek) maar maakte gelijk even wat verwijzingen voor röntgen, bloedonderzoek en een echo. Iets dat zij wel redelijk standaard doet als ze dingen niet zeker weet. We reden direct door naar het gezondheidscentrum waar direct tijd was voor de röntgen. Bloedonderzoek en echo vonden op een later tijdstip plaats, ergens ver in juni.

Vrijdag belde ik met de assistente met de vraag of er al uitslag was van de röntgen. Helaas zou die pas dinsdag bekend zijn, na de pinksterdagen. Dinsdagmorgen om acht uur, we zaten heerlijk in de schaduw na wat werk in de moestuin, belde ik weer. Er klonk wat gerommel door de telefoon, ze vroeg een momentje en daarna klonk het zacht: “de dokter wil de uitslag niet telefonisch geven en wil graag dat jullie hier even naartoe komen.

Natuurlijk gingen we en wel direct. Met bonkend hart. Om half negen zaten we bij haar binnen in de spreekkamer, ze keek over haar bril met een zachte blik, pakte de papieren en begon aan de uitleg. Even dacht ik dat mijn Hongaars me nu helemaal in de steek zou laten. Ik vroeg om herhaling van haar woorden. Ik had ze goed verstaan, die woorden. Tumor in de long. De printer ratelde met verwijzingen met daarbij dik onderstreept “sürgös”, wat de betekenis dringend of spoedeisend heeft. Ik las: longarts, ct-scan, versneld bloedonderzoek.

We reden die dinsdag direct naar het gezondheidscentrum. Afspraak longarts nog diezelfde middag. Tumor in het longvlies. Asbestkanker. Longarts maande spoed. Bloedonderzoek naar voren gehaald voor de volgende dag, afspraak ct-scan de aankomende vrijdag. En toen was het nog maar dinsdagmiddag.

Vrijdagmiddag ct-scan. Volgende dinsdagmorgen uitslag, die ik ook in de e-mail binnenkreeg. Ik probeerde te vertalen, maar kwam er niet uit. Belde de huisarts, die er ook niet uitkwam, behalve dan dat er uitzaaiingen in buik en hals zitten. Vrijdag terug naar de longarts, waarop ik mijn hoop had gevestigd voor meer helderheid. De ct-scan was niet helder genoeg maar gaf nog wel enkele verdachte plekken aan. Ze gaf me een telefoonnummer om een afspraak te maken voor een pet-scan. Toen brak ik. Alle tranen die hun weg nog niet hadden gevonden stroomden in het gefilterde licht van de spreekkamer over mijn wangen. Ze reikte me een zakdoek aan. Ik snikte zo hard dat haar assistente spontaan begon mee te huilen. Ze keek me aan, vol oprechte medelijden, toen ik haar vertelde dat wij die maanden niet konden en wilden wachten op een afspraak. Ze nam het papier terug, pakte haar telefoon en tikte een nummer in van iemand die ze kende. Vrijdag 19 juni een afspraak. Twee weken is lang, maar in ieder geval geen twee maanden of meer wat hier (en waarschijnlijk op heel veel plekken in de wereld) de normale wachttijd is.

Wat een pet-scan gaat uitwijzen weten we niet. Maar wel dat de uitkomst daarvan niet beter is dan de ct-scan. Babybadjes vol met tranen zijn er al geplengd. Na fijne gesprekken, na mooie gedichten (dank Dorothé, zo mooi!), na mooie muziek, na fijne ontmoetingen, na veel lieve woorden om ons heen. Ik denk het niet. Ik denk niet dat er genoeg tranen zijn voor al dit grote verdriet allemaal bij elkaar.

Drie wandelende geurkaarsen.

Als je, zoals wij, je harige huisdieren lief hebt dan aai je ze regelmatig. Het is een heerlijk gevoel zo door die zachte vacht te kroelen. Bence is in dit geval de meest kroelbare. Totdat je iets ontdekt. Dan wordt het niet kroelen maar voelen.

Het was begin februari en nog behoorlijk koud. Bence, die nooit op de bank mag liggen maar dat eigenlijk altijd doet en daarom noem ik hem ook regelmatig de Bink van de Bank, lag heerlijk languit op die bank. Het leek erop dat hij lag te genieten van het knapperende houtvuur in de kandalló. Heerlijk ontspannen en daardoor woest aantrekkelijk. Ik ging bij hem zitten en aaide zijn zachte kop. Hij genoot, zoals een hond dat kan. Met twee handen door zijn vacht, nog lekkerder. Tot ik iets voelde. Een verdikking. Het zal toch niet! Ik schoof zijn haren opzij om er zeker van te kunnen zijn. En jawel hoor, daar zat hij. Vol, rond, helemaal volgezogen met bloed. Een enorme teek. Ik pakte snel de tekenpen en met enige kracht trok de onverlaat uit zijn huid. Inderdaad, toen werd kroelen voelen. De hele hond werd nu door mijn handen onderzocht. Oksels, buik, bef, nek, rug en oren. Ik vond er nog twee. Ik pakte de vlooienkam waarmee je makkelijk de los wandelende teken kunt vangen. Opgelucht vond ik niets meer. Sissi en Brigi bleken na onderzoek tekenvrij.

Het blijft altijd een punt van discussie. Een teken/vlooienband? Teken/vlooien druppels? Of teken/vlooien tabletten? Over alle drie valt veel te lezen. Vooral waarom het heel slecht is voor de hond. Al deze giftige “anti-behandelingen” verspreiden zich in het bloed van de hond en er zijn gevallen bekend met zware epileptische aanvallen waarvan sommige met dodelijke afloop. Maar ja een tekenbeet van een foute teek kan ook vreselijke gevolgen hebben voor een hond. Elk jaar weer een dilemma. Veel kammen en controleren helpt ook wel, maar is zeker niet genoeg tegen een elk jaar opnieuw weer exploderende tekenplaag. En ook niet elke hond houdt van kammen. Sissi, de kortharige, vindt het heerlijk. Maar Bence en Brigi, de langharigen, die vinden het maar niks. Wij spitten vaak het internet door, op zoek naar goede alternatieven.

Van sommige kruidengeuren is bekend dat insecten daar het liefst heel ver van blijven. Iemand raadde mij geconcentreerde lavendelolie aan. Maar ik vond niet dat het veel resultaat gaf. Tot dat Hans mij een video liet zien van een Italiaanse dierenarts. Gelukkig was daar Engelse ondertiteling bij, zodat ik het verhaal heel goed kon volgen. Hij, als dierenarts, had jarenlang tabletten en druppels voorgeschreven voor honden en katten tegen die vermaledijde teken. Het was hem opgevallen dat vooral in het voorjaar (als mensen beginnen met druppelen of tabletten) heel veel ernstig zieke honden en katten zijn praktijk werden binnengebracht. Het kon geen toeval zijn. Samen met een team deed hij onderzoek hiernaar en kwam tot de conclusie dat het het gif moest zijn dat in die zogenaamde medicatie verwerkt zat. Hij, als Italiaanse dierenarts ook niet gek, ging op zoek naar deskundigen die alles wisten over geurige kruiden en insecten die daarvoor op de loop gaan. Eureka!! Een samenstelling van verschillende etherische oliën, samen in een klein bolletje, verwerkt in een halsband. Ook deze oliën komen terecht in de bloedbaan, maar zijn niet giftig.

Hans bestelde drie banden. En vooral ook “het niet goed, geld terug” aanbod maakte het extra aantrekkelijk. Want aan zo’n halsband hangt natuurlijk wel een prijskaartje. Eerlijk gezegd kon ik niet wachten, zodat mijn dagelijkse kambeurten (lees: ruzie met honden) en de zoektocht naar die klemvast zittende teken eindelijk ten einde zou zijn. Maar de Italiaanse post liet nog even op zich wachten.

Even bekroop mij het gevoel dat we bedonderd waren. Het duurde bij elkaar best lang en de rekening was natuurlijk al lang en breed betaald. Maar toch, op een mooie zonnige dag begin maart lagen zij in de brievenbus. De geur van de bolletjes was bedwelmend. Zo snel we konden deden we de halsbanden om en nu was het wachten op het resultaat.

Ongeduldig als ik kan zijn zag ik nog steeds teken wandelen. Vooral Bence is een echte verzamelaar. Dus bleef ik wel kammen en teken trekken, omdat die etherische oliën natuurlijk nog wel in de bloedbaan moesten trekken.

Welnu, we zijn nu ruim twee weken verder. Het enige dat wel waar is dat ze alle drie als wandelende geurkaarsen door het leven gaan. Maar zowel Hans als ik hebben het vermoeden dat deze geuren alleen maar teken aantrekken. Waar het kammen en teken trekken eerst 1x per dag was, is het nu minimaal 3x per dag geworden. Hele legers kam ik eruit en hele families tegelijk trek ik uit hun huid. Bullshit, pure stierenstront.

Geloof niet in Italiaanse dierenartsen. Na enig onderzoek zijn op het internet (facebook) heel veel soortgelijke aanbieders te vinden van exact hetzelfde product onder een andere naam en uit een ander land. En ze zijn allemaal dierenarts. Koop maar gewone geurkaarsen, dan ben je een stuk goedkoper uit en je hond loopt niet voor joker.

Het pindakaas experiment.

Sinds ik valse tanden heb, eet ik niet meer zo vaak pindakaas. Niet omdat ik het ineens niet meer lekker vind, dat zeker niet. En ook niet omdat ik er dik van zou worden. Ik kan nog wel wat kilootjes gebruiken en…..goede natuurlijke pindakaas is echt hartstikke gezond voor de aderen.

Maar ja, sinds die valse tanden is het eten van pindakaas gewoon niet meer zo fijn. Het verdwijnt overal tussen en het is uren later nog terug te vinden. Mits je natuurlijk gelijk je mond gaat spoelen. Maar soms is het onweerstaanbaar. De geur van versgebakken brood in huis en op het aanrecht waar dat versgebakken broodje wacht op afkoeling. Knapperige korst en een heerlijke verse boterham. De eerste boterham met iets hartigs en dan die tweede boterham met dikke (echte) boter en daaroverheen die vettige pasta van pinda’s. Heerlijk! Maar als ik op de helft ben en het geworstel met die pindakaas alweer snel zat ben, blijft er een halve boterham over. Die verdeel ik in drie stukken en geef het aan de honden. Ook voor hen is het niet makkelijk, ondanks hun echte tanden. Je ziet ze bekken trekken en met hun tong vechten om de pindakaas alsnog naar binnen te werken. Maar ze vinden het lekker. Zodoende was het volgende experiment helemaal geen slecht idee.

Onze nieuwe hond Brigi heeft nogal een stevig karakter. En ze is nogal op mij gericht. Als Hans bijvoorbeeld alleen met de honden gaat wandelen, staat Brigi binnen een minuut voor het raam, tikkend met haar nagels en wild zwaaiend met haar staart. Of ik even mee wil gaan. Zonder mij geen wandeling voor die hond. En dat terwijl Hans altijd degene is van de hondensnoepjes en ik zeker niet. En ondanks dit is Brigi de enige die alles voor eten doet. Behalve zonder mij gaan wandelen dan.

Ook kan Hans alleen vertrekken met de auto, maar wee het moment dat wij samen vertrekken. Dat laat ze op een niet mis te verstane manier blijken. Bij thuiskomst blijken twee vuilnisbakken omgetrokken en leeggetrokken natuurlijk. Trekt ze waterflessen uit de plastic blister, waarin ze per 6 verpakt zijn. Die flessen vinden we dan ook weer door de tuin. Een fles anti-vries van 5 liter is ook geen probleem. Alles wordt versleept. Dan pakt ze de metalen waterbak, gooit hem leeg en rampokt de bak op het beton. Hoe ik dat laatste weet? Nou, van de overbuurman. Die hoorde zoveel lawaai dat hij maar is gaan kijken wat er aan de hand was. Nou, dat dus. We hadden een plan nodig.

Bevroren runderbotten, voor alle drie de honden één. Bij het weggaan werden we niet opgemerkt. Het bleef in ieder geval stil. Maar bij terugkomst bleek ze toch niet helemaal tevreden en had de vuilnisbak het alsnog moeten ontgelden. Maar de waterflessen stonden nog netjes op een hun plek, dat scheelde. Met dit gedrag werd ook wel duidelijk hoe makkelijk onze andere honden altijd zijn geweest. Bij thuiskomst stond alles nog net zoals wij het hadden achtergelaten. De bevroren runderbotten gaven dus wel vertraging maar geen echte oplossing voor Brigi.

Na een gesprek met een lieve vriendin die ervaring heeft met opstandige honden, liepen wij handenwrijvend door het huis. Eureka! Riepen wij allebei. Het juiste recept had ik in mijn hoofd geplant. Nu nog even op zoek naar de “kong”. Daar hadden we er twee van. Maar eentje was ooit onder de grasmaaier gekomen en had de machine in één keer met een harde knal tot stilstand gebracht. Hans was er uren mee bezig om het harde rubberen ding tussen de maaibladen uit te krijgen. Beau had nogal de neiging om de “kong” mee de tuin in te nemen in plaats van een bal. Vandaar. De “kong” had een grote scheur, hoewel dat bijna onmogelijk is, en was niet meer bruikbaar.

Ik vond de ene overgebleven “kong” en Hans snelde naar de winkel om er nog twee bij te kopen. Want drie honden moet je gelijk behandelen, anders wordt het knokken en dat was juist iets dat we niet wilden. Ik noemde het recept en Hans voerde het uit.

“Eerst een paar hondenbrokjes. Daarna een dikke laag pindakaas. Dan weer hondenbrokjes en daarna weer een dikke laag pindakaas. Herhaal dit tot de “kong” helemaal vol zit. Eindig met een paar hondenbrokjes diep in de pindakaas”. Dit lijkt een makkelijke opgave, maar de ingang van de “kong” is nogal nauw. Eerst met kleine lepels, dat ging niet snel genoeg. Toen besloot Hans de mouwen op te stropen en het verdere werk met zijn handen te doen. Dat mouwen opstropen was niet voor niets, want de pindakaas zat tot aan zijn ellenbogen.

En zo raakten de drie “kongen” gevuld. Tijd om het experiment uit te voeren. Hans liep naar buiten met drie stuiterende honden achter zich aan. Daar kregen ze, ieder op hun eigen plek, een “kong”. Na ongeveer een half uur diende Sissi zich voor het raam en niet veel later meldde Bence zich. Maar waar was Brigi?

Na meer dan drie uur meldde zij zich. Eerst had ze haar eigen “kong” helemaal leeg gelebberd en daarna had ze nog een hele kluif aan de afwas van de andere twee “kongs”. Ik schreef de lieve vriendin, als we de “kong” nog beter zouden vullen, wij wel voor een paar dagen weg kunnen gaan. Experiment pindakaas geslaagd!

Voor een glimlach.

Ik wil mijn zus Ineke een glimlach bezorgen. Al is het maar voor even. Het gaat over een herinnering van heel veel jaren geleden, die elk jaar weer terugkomt. Of ik het nu zelf uit de tuin pluk of, zoals afgelopen vrijdag, toen Hans het meebracht uit Kroatie. Wilde spinazie. Het is een verhaal waar ik wel vaker over heb geschreven. Maar nu, op dit moment, hebben wij (als zussen) dit verhaal weer even nodig. Al is het maar voor een kleine glimlach en voor de vergetelheid. Het gaat om dit kookboek:

Alleen al voor de cover. Ik ken veel mensen die dit kookboek graag zouden willen hebben. Ineke had het (en nog denk ik) en kookte er graag uit. Alleen één ding vond ze uit dit kookboek te bewerkelijk: het spinazie- gerecht. Nu waren de Italiaanse keuken en de Hollandse keuken zo’n vijftig jaar geleden mijlen ver van elkaar verwijdert en sommige ingredienten waren ook niet zomaar verkrijgbaar. Maar spinazie wel. En spinazie is spinazie nietwaar?

Ineke kocht (ik geloof een pond, maar het kan ook gerust een kilo geweest zijn) de verse spinazie en ging aan de slag met het recept. Maar na een kwartiertje klooien begon ze er toch wel een beetje genoeg van te krijgen. Want in het recept stond dat alle steeltjes van de spinazie verwijdert moesten worden. Nou, ga er maar aanstaan. Al die kleine steeltjes, blaadje voor blaadje afsnijden. Het was dan ook niet makkelijk om al die net gewassen blaadjes op elkaar te stapelen en ze dan bijvoorbeeld per tien of vijftien tegelijk te ontstelen. Na een hele tijd vertoeven in de keuken heeft ze het gerecht toch uiteindelijk gemaakt. Maar wel met de opmerking: “spinazie, ik vind het heerlijk, maar het is mij allemaal veel te veel werk”.

Daar komt dan het verschil tussen de Italiaanse keuken en de Hollandse keuken. In Nederland aten wij altijd de kleine variant spinazie. Maar in Italie maakten ze toen al gebruik van wilde spinazie. Een vorm die vele malen dikker en groter is en waarvan de stelen ook heel erg dik zijn. Tja, die moet je er echt afsnijden. Maar die Nederlandse variant, tja die had zo schoongewassen in één keer in het recept verwerkt kunnen worden.

Een leermoment waar altijd weer een glimlach tevoorschijn komt. Deze is voor jou Ineke.

Arm schaap.

Toen ik haar zag liggen, tussen alle troep uitgestald op een houten tafel, trok zij direct mijn aandacht. Het was best druk op die vlooienmarkt en het verbaasde mij dat nog niemand mij was voor geweest. Dat ze daar gewoon maar lag in alle schoonheid, tussen alle troep. “Als zij 50 gulden kost, ga haar kopen” dacht ik en versnelde mijn pas.

Ik pakte haar vast, ze woog nogal wat en zag gelijk dat het mijn maat moest zijn. Ook al zou het te groot uitvallen, dan zat ik daar ook niet mee. Alleen te klein, dat zou jammer zijn. Een vrouw, die met weinig aandacht achter de houten tafel zat, en neen er waren nog geen mobiele telefoons, reageerde niet toen ik haar aandacht trok. Dan maar gewoon aanpassen en proberen of het mijn maat is. Ze paste, precies. De mouwen, de schouders, nou ja, het geheel zeg maar. De vrouw keek op. “Wat kost dit lui paard”? Vroeg ik. Zelf vind het altijd nogal grappig als je de klemtoon op een woord verlegd dat er dan een heel ander woord uitkomt. “Het is een schaap en je zegt het verkeerd, die print is van een luipaard of van een ander beest. Ik weet het niet, want die jas is niet van mij. Moet ik even vragen, als je wilt wachten ben ik zo weer terug. En let gelijk even op mijn spullen als ik er niet ben”. En weg was ze al.

En natuurlijk kon ik wachten en natuurlijk ging ik op die spullen letten, maar die jas hield ik aan, zodat die niet aan een zomaar onverlaat verkocht kon worden. “Leuke jas” sprak een man die passeerde. Ja, zei ik, “lui paard”. Ik zag hem even denken en toen schoot hij in de lach. “Je legt de klem toon verkeerd”. Ik lachte terug en hij begreep dat ik het expres deed.

“Een tientje” hoorde ik vanuit de verte. Ik kon mijn oren niet geloven. Tien gulden voor deze pracht jas. Ik ritste een tientje tevoorschijn voor ze zich zou bedenken en vroeg of ze mijn oude jas in een tasje wilde doen. Ik was blij, verguld en ik had het warm in dit schaap in luipaard kleren.

Zelf had ik al van verre gezien dat deze print nep was en daarom vond ik haar ook zo leuk. Want zo’n jas kun je met gemak dragen zonder een bus verf over je kop te krijgen. Althans dat had ik gedacht.

Soms, als ik op de fiets zat, kreeg ik “dierenbeul”! naar mijn hoofd geslingerd. “Arm schaap” slingerde ik dan terug. Waarmee ik mijn jas dan bedoelde, maar verkeerd begrepen werd en ik de pedalen dan maar flink aanzette om wat meer vaart te maken. Maar te voet was dat dan toch moeilijker.

Op een mooie winterdag ergens in 1995 liep ik in Utrecht op station Hoog Catharijne. Ik keek naar de borden waarop de vertrektijden van de treinen aangegeven stonden toen er ineens een vrouw iets tegen mij schreeuwde en veel te dicht in mijn territoriale ruimte kwam. Ik keek haar vragend aan. “Wat zegt u”? vroeg ik. “Of die jas echt is”!! Schreeuwde ze nu nog harder. “Nee, mevrouw deze jas is niet echt. Ik zou niet durven. Er is trouwens toch geen luipaard geboren met zo’n print”? Ze bleef nog steeds woest kijken maar beende nu toch weg. Ik durfde het dit keer niet aan om na te roepen “arm schaap” want ik denk dat ik dan alsnog een emmer met verf over mijn kop had gekregen.

En nu, ruim dertig jaar later, draag ik de jas nog steeds (hoewel de binnenvoering wel aan herstel en vernieuwing toe is en dat er aan de mouwen best wel slijtplekjes te zien zijn). In de meeste gevallen om met de honden te wandelen in de tuin en omgeving. Maar tijdens deze barre koude winter van 2026, draag ik haar ook weer op straat. En gisteren, tijdens het winkelen, waren sommige afkeurende blikken niet van de lucht. Helaas gaat in het Hongaars de klemtoon van lui paard niet op en weet ik wel wat ik zou moeten zeggen als de gemoederen toch verhit raken: Ez egy szegény birka. Dit is een arm schaap en dan hoop ik maar dat ze het begrijpen en dat ik daar niet mijzelf mee bedoel.