Pé en Pé is twee.

Het was in de zomer van 2008. Op een mooie zonnige dag. In de schaduw van de notenboom. We kenden elkaar sinds september van het jaar 2007. De Hongaarse school, waar we les kregen en de hoop hadden deze taal op die manier goed te leren. Zij woonden toen al negen jaar in Hongarije. Peter en Edith. En wij waren de nieuwkomers. Peter noemde Edith É en Edith noemde Peter Pé. Maar aan zo’n persoonlijke benadering waren wij op die dag in die zomer van 2008 nog niet toe.

Wel was het grappige verschijnsel dat wij bij onze honden ook alleen de eerste letter van hun naam gebruikten, omdat dit zo lekker bekte op “ga je mee”. Het sein om te gaan wandelen. Dus werd Pip Pé en Jolene J (uitgesproken als Jay), gaan jullie mee?

Omdat Edith en Peter niet echt om de hoek wonen was de uitnodiging voor een lunch heel vanzelfsprekend. En een beetje uitsloven mag best als er mensen komen lunchen die van lekkere dingetjes houden. En er was gespreksstof zat om nog een hele week door te komen. Hun ervaringen in het voor ons nieuwe Hongarije waren voor ons dan ook heerlijk om naar te luisteren. Soms ook tenenkrommend, omdat onze culturen toch niet zo heel veel op elkaar lijken. Maar natuurlijk ook ons verleden en wat ons zoal naar Hongarije had gebracht.

Dus wij maar praten en eten. Pip werd daar ondertussen een beetje onrustig van. Legde zijn frisbee aan mijn voeten en bleef net zo lang naar mij staren tot ik dat ding dan eindelijk gooide. Een zacht irritant piepend geluid en weer die blik naar die frisbee. Ik kreeg er een beetje genoeg van dus ik riep: Pé hou eens op!! Je moet gewoon even wachten Pé! Peter legde zijn bestek neer en keek mij aan met grote blauwe ogen. “Wat heb ik gedaan? Riep hij nogal ontdaan. “Wat is er aan de hand?” Nu was het mijn beurt om nogal verbaasd te kijken. Je hebt helemaal niets misdaan. Hoezo denk je dat? Toen kwam het besef toch langzaam binnen.

Die middag hebben we dan maar besloten dat wij Peter vanaf dat moment Pé zouden noemen en dat Pip dan maar weer gewoon Pip genoemd moest worden. Het had wel wat voeten in aarde, want zo snel was die switch toch niet gemaakt. We hebben er vreselijk om gelachen want beiden Pé’s hielden hun act vol. Pip met zijn onafscheidelijke frisbee en gepiep en Pé die toch steeds maar weer zijn bestek neer legde als ik de hond tot orde riep. Het was de dag dat een mooie vriendschap begon.

Precies vijf jaar geleden is onze Pip overleden. En vandaag hebben wij Pé in het ziekenhuis bezocht. Een wonderlijke lieve man met een hart van goud, die zijn 85,5 jaar volledig geleefd heeft. Het einde is nabij, maar het zou ons niet verbazen als hij het nog een tijdje volhoudt. Maar bij deze toch alvast een ode aan de man die heeft laten zien dat humor en vriendschap heel goed samen kunnen. En dat Pé en Pé toch echt twee is.

Naar de wasstraat.

Hij houdt niet van nagels knippen. Hij houdt niet van wassen, zeker niet met zeep. Hij houdt niet van kammen of borstelen. Hij houdt niet van zwemmen. Hij houdt niet van föhnen. En hij houdt niet van autorijden.

Hij houdt wel van rotzooien in de modder. Hij houdt ook van een natte jas die hij daarna afdroogt door in een bak met zand te rollen, zodat hij lichtbruin gepaneerd is. Hij houdt ook van op zijn rug rollen, heerlijk met zijn poten omhoog, het liefst op iets wat naar kadaver ruikt (muis, of rat of een ander dood dier) en kattenstront mag ook.

Dus waren alle onderdelen van de bovenste alinea nodig om hem van stinkende klittenbol weer om te toveren tot zichzelf.

Haar naam is Virág (Hongaars voor bloem). Ze is jong, wonderschoon mooi, lief en ontzettend handig. Ze hebben elkaar al vaker ontmoet, maar dat was gewoon bij ons thuis. Maar nu, eenmaal binnen in een kamer met een tafel en een bad, was hij haar toch even vergeten.

Iets meer dan een jaar geleden is Virág haar eigen salon gestart en, naar wat ik op de prijslijst zag, het meest in hele kleine soorten. Dus minder vies, minder haar en minder klitten. Hij werd een soort gezekerd op die tafel, zodat hij op zijn plaats bleef en er niet vandoor kon gaan toen hij die borstel zag. Ze sprak lief tegen hem en daar is hij nou juist heel erg gevoelig voor. De overgave kwam niet meteen, dat zeker niet, maar wel na enige tijd. Ze lichtte zijn staart op en vroeg of ze het haar daaronder, wat ooit eens hele mooie flanken waren, moest kammen of knippen. Nou, ik ken die achterkant van hem en die bewerk ik ook met een schaar, alleen wel wat minder professioneel, dat geef ik toe. Daarom kwam de schaar er aan te pas.

De berg met haar werd steeds hoger daar op die tafel. Het leek even of hij uit twee delen bestond. Met en zonder poten. Ik werd gelukkig van die berg, want die kan hij dan in huis niet meer verliezen. Eenmaal klaar met knippen en kammen en borstelen, werd hij wat meer gelaten, zijn halve ik.

Eenmaal in bad werd hij ook weer gezekerd. Een vrouw met ervaring, want anders was hij toch echt gevlucht. Maar dat kon niet meer, dat vluchten. We zagen het zand en de blubber met het water zijn jas uit spoelen. Nog even lekker inzepen voor de algehele wasbeurt, inclusief massage. Daarna weer uitspoelen en zowel de vloer als plafond als Virág zelf dropen van het water. Bij kleine hondjes heeft ze daar toch iets minder last van.

Eenmaal terug op tafel stroomde de warme lucht van de grote föhn door zijn haren. Hij begon haar zelfs lief te vinden en gaf haar een flinke lik, wat we met z’n allen toch weer zo vertederend vonden. We begonnen hem weer te herkennen. Het ras dat hij eens was kwam langzaam weer tevoorschijn. “Hij heeft de flanken van een leeuw” zei ze. Maar toen ik zijn achterkant zag moest ik toch meer aan een beer denken. Daar was ze het ook wel mee eens. Nog even de nagels knippen (wat bij ons met vier handen nog niet eens lukt), daarna mocht hij dan van tafel. Na bijna twee uur was hij er weer. Bence, een bordercollie die weer teruggekeerd was in zijn gewone hoedanigheid als hond.

Waar een borstel, een schaar en een wasstraat toch allemaal niet goed voor is.

Vooraf.
en na.

En nu alles er tussenin.

Persoonsverwisseling.

Éva: Hoe gaat het met Eszti?

Ik: Ze ligt in het ziekenhuis in Szigetvár. Hersenbloeding. Ze kon niet meer praten en was verlamd aan de rechterkant.

Éva: (trekt een beetje wit weg) Oh, maar dat wist ik helemaal niet.

Ik: Ja, ze had geluk dat ze bij haar dochter in Kaposvár was, die heeft gelijk de ambulance gebeld.

Éva: (nogal doof, maar gebruikt haar hoorapparaten zelden) Ik begrijp je verhaal niet goed. Waarom was ze in Kaposvár?

Ik: (zoek het filmpje op Hans’ telefoon waar Eszti, hetzij moeizaam, maar wel spreekt en haar arm beweegt) Hier kijk maar. Het gaat al een beetje beter met haar.

Éva: (kijkt naar het filmpje en kijkt mij ongelovig aan) Maar dat is jullie buurvrouw Esztinéni!

Ik: Maar wie bedoel je dan?

Éva: (nogal luid vanwege haar ontkennende doofheid) Esther! Hollandse Esther! Hollandse Eszti!

Ik: Maar lieve Éva, die heet Esther en geen Eszti. Wij Hollanders zeggen gewoon Esther, wij veranderen die namen niet.

Éva: (een beetje verbolgen) Voor ons Hongaren heet zij Eszti. Maar als jij liever Eshter zegt, ook goed. Dan begrijp je mij misschien ook beter!

Ik: Inderdaad. We zeggen Esther, dat is beter. Dan hebben we ook geen last meer van persoonsverwisselingen. En met Esther gaat het trouwens wel goed.

Soms gaat het toch net iets anders dan gedacht.

Op 23 december kreeg ik telefoontje. Het werd een gesprek dat mij zo blij maakte, dat er ik zelfs een kerstwens van maakte. Voor sommigen van ons is dit een bekend verhaal. Daarom voor de helderheid nog een beknopte versie over dit deel van het verhaal.

Begin december kochten wij vijf kippendames van 8 maanden oud. Ei-dragend zeg maar. Dat kwam omdat onze kippenfamilie zodanig was uitgedund dat er nog maar enkele over waren. Vooral de vos is een nogal indringende, of liever gezegd een binnendringende figuur, die ongezien zijn slag slaat. Slechts een paar veren als aandenken wat eens een kip geweest moest zijn liet hij achter. Een bejaarde kip van acht jaar oud en drie jongere kippen overleefden de aanslag. En twee hanen. Nu hadden we veel meer hanen, maar die verhuisden naar de buurvrouw, die er soep van maakte. Eén jonge haan bleef achter, omdat we niet zeker waren of dit een kip of een haan was. Het was dus een haan en aangezien Bruno, onze opperhaan, geen concurrentie duldt, stond ook deze haan op de soeplijst. Tot dat ene telefoontje op 23 december kwam. De vrouw die ons de vijf kippendames had verkocht had tevens bezoek gehad van een vos die haar haan had opgevreten. Graag wilde zij onze jongste haan overnemen, zodat hij een mooi nieuw leven zou krijgen bij een groep van tien kippendames. Een hemels geschenk vonden wij. De haan werd direct van de soeplijst gehaald en omdat ze nu geen vervoer had werd de afspraak verplaatst tot na de kerst.

Half januari speelde het al door mijn hoofd: welke kerst in welk jaar zou ze bedoeld hebben? Ik besloot niet direct te gaan bellen en nog even te wachten. Vorige week zocht ik haar nummer, maar er kwam weer iets tussen. Zoals er zo vaak iets tussenkomt. Ik vergat het weer even. Maar vrijdag ging de telefoon en ik herkende direct haar nummer. In gedachten was ik al aan het bedenken hoe deze haan te vangen, want het is er eentje van het snelle soort en ook nog eens oersterk. En het moet of in de avond als ze al op stok zitten of vroeg in de morgen als de deuren naar de wijde wereld open gaan. Hoe dan ook, het geeft altijd ontzettend veel stress. Ik in het gesloten hok met zaklantaarn, Hans bij de grote deur om de buit aan te pakken. Maar alles gaat op de vlucht, duikt in een hoek waar de hoofdhaan dan met veel agressie voor gaat staan. Luisterend naar de woorden die mijn oren ingingen en mijn hersenen moesten omvormen tot andere gedachten, verdween het voorgaande beeld uit mijn hoofd.

Ik hoorde: drie ganzen, drie kippen en een haan. Ze belde niet om de haan op te halen. Ze belde omdat ze van haar dieren af moest. Ik hoorde mezelf nog twee maal herhalen dat we al twee hanen hadden en dat er voor een derde zeker geen plaats was. Ze vertelde nog dat het alles in één koop aanbod was. Vreemd genoeg schoot ik in een soort verdediging met woorden als: ik vind ganzen best leuk, maar er is geen plaats voor en dat is ook zeker waar. Maar eigenlijk dacht ik: wat moeten wij in godsnaam met drie ganzen? Die slopen alles en schijten waar ze staan en aan het einde van de rit hou je geen gras meer over. En slachten doen wij hier niet. Maar er was haast geboden. Over minder dan twee weken vertrekken ze naar Duitsland. Voor drie maanden of (om er nog meer dwang achter te zetten) misschien wel vijf maanden. En al die tijd zouden die beesten dan geen eten of water krijgen. En oh ja, of ik me dat kleine lieve hondje nog kon herinneren? Jazeker, een pitbull, misschien heel aardig van karakter maar een hondensoort die absoluut niet op mijn verlanglijst voorkomt. Een hond waar ik van griezel zeg maar. Of we die dan ook maar over wilden nemen. Ik wilde niet onaardig worden, maar toen zij vertelde dat ook die zou verhongeren, ging het in mijn hoofd op slot. Geen denken aan. Hier werd gemanipuleerd en op mijn gevoel voor mededierlijkheid gespeeld. Ze deed een poging om haar probleem het mijne te maken. Geen schijn van kans, zeker niet met Hans aan mijn zijde. Ik bleef rustig en vertelde dat ik best om ons heen zou willen informeren of iemand interesse zou hebben. Maar eerlijk gezegd kennen wij niemand die drie ganzen, drie kippen, een haan en een pitbull zou willen overnemen.

Tja, soms gaat het toch weer anders dan gedacht. De jongste haan loopt hier nog steeds rond. Hij maakt geen ruzie en heeft een plek helemaal onderaan de rangorde, maar hij oogt niet ongelukkig. Hij ziet er prachtig uit en ik wil niet dat hij in een pan soep verandert. Pas als er iemand komt die hem een kippenparadijs belooft mag hij weg. En wat die andere dieren betreft hoop ik dat zij nog meer nummers in haar telefoon heeft. Misschien van iemand die wel plaats genoeg heeft en ook nog van een pitbull houdt.

Als een verhaal verdwijnt lijkt het niet meer te bestaan.

Ik was op zoek naar een verhaal uit onze blog van tien jaar geleden. Ik tikte de woorden in op google toen ik het volgende las: Oeps! Die pagina kon niet worden gevonden. Tja, vergankelijkheid van de verhalen dacht ik ineens. Als ik ze had opgeschreven, op papier en met pen, dan zou dit verhaal gewoon nog ergens in dit huis liggen. Ergens, want het is nooit zeker waar, als het al tien jaar geleden is. Een echt archief hou ik er niet op na. Wel mapjes, waar dan weer verhalen inzitten die ik voor het internettijdperk met de hand had geschreven en later afgedrukte exemplaren natuurlijk, anders zitten ze niet in mapjes. Maar het verhaal wat ik zocht is verdwenen. Weg. Niet meer te vinden.

Hoewel dat niet meer zeker is op mijn leeftijd, is mijn geheugen goed op orde. Al zeg ik het zelf, maar het is in orde geloof mij maar.

Het was augustus in het jaar 2007 dat Hans thuiskwam. Schuldbewuste houding, zijn hoofd zelfs een beetje onschuldig schuin. Sorry, sorry riep hij maar, terwijl hij zijn twee handen samen voor zich hield, op een manier dat iemand iets heeft gevonden dat heel klein en waardevol is. Zoals je bijvoorbeeld een zielig dood babyhaasje zou laten zien. Maar in zijn handen was geen dood babyhaasje. Het was klein, bruin en harig. En sorry sloeg op het feit dat we het voorlopig bij één hond zouden houden. Pip en verder even niets. Die afspraak kwam, omdat we, sinds we hier een paar maanden woonden, aan het hek bij de vleet pups aangeboden kregen. Nem (Hongaars voor nee) was toch wel het meest gebruikte woord in die tijd.

Hij kon er niets aan doen. Het rende voor zijn auto uit en toen hij stopte ging het voor zijn voorwiel liggen met een houding van: ik ga hier pas weg als jij mij meeneemt. Nu houdt Hans in het algemeen niet van dwingende karakters, maar hier kon hij toch echt niet tegenop. Of hij wilde het niet, dat denk ik eerder. En daar stond hij dan, met betraande ogen, kijkend naar het kleine, bruine, harige ding in zijn beide handen. En dan komt mijn probleem om de hoek gieren. Want in zulke gevallen is mijn handrem ver te zoeken. Ik keek ernaar, zij keek terug. Ga dan maar eens zeggen: er is een mooie plek voor jou in het dierenasiel.

Dus ze bleef. Jolene. En hoe. Een mix tussen een teckel, duitse herder denken wij. Zeker weten deden we dat natuurlijk niet, want hondjes die gedumpt worden dragen nooit gegevens met zich mee. Een pup was het nog. Misschien 2 maanden jong. En Pip? Die had ineens zijn eigen prinses.

Ik vroeg eens aan een goede vriend, die zelf een hondje had met de naam Bonzai, de naam zegt al genoeg: Weet jij waarom kleine hondjes altijd zo’n grote bek hebben? Hij had een helder antwoord. Kleine hondjes kijken naar grote honden als een soort spiegel en denken dan dat ze zelf ook zo groot zijn. Wetenschappelijk is dit niet onderzocht, maar ik geloofde het gelijk. Jolene was voor niets en niemand bang, vandaar. En een donders karakter had ze ook. Op een dag liep ik in de tuin en zag iets uit het kippenhok komen. Het was bruin, maar dat waren onze kippen ook. Even dacht ik aan een vos en rende er op af. Maar dichterbij bleek het Jolene die het kippenhok uit kwam wandelen en op het trapje betrapte ik haar met een ei in haar bek. Na wat gegrom en het laten zien van haar piranha-tandjes, liet ze het ei toch los. Het ei legde ik keurig in de eierdoos.

Ik had beter moeten weten. We hadden een broedse kip, die zelden het nest verlaat. Alleen héél soms om wat de drinken, te eten en om verlost te raken van enorm grote kippendrollen die ze al die tijd inhoudt om het nest niet bevuilen. Alleen dan blijven de bebroede eieren even onbewaakt. En dit was dus het onbewaakte moment geweest. Hoe we daarachter kwamen? Hans bakt regelmatig een cake en dan is er niets lekkerder dan met eigen verse eieren. De eerste drie tikte hij keurig per stuk eerst in een apart schaaltje en gooide het daarna bij de bloem, suiker en boter. Onzin, dacht Hans. Met onze eigen eieren is niets mis. Hij tikte nog een eitje, gooide het bij de rest en toen nog eentje. En daarna hoorde ik : Gatverdamme! Wat smerig!! Oh, het stinkt nog ook!! Ik liep naar de keuken, keek in de schaal en zag een rode smurrie. Het ei van Jolene! riep ik. De donderse hond had een bebroed ei uit het nest gestolen. Van cake is het die dag niet gekomen en sinds die tijd gaan alle getikte eitjes weer in een apart schaaltje.

Maar het was ook een hondje van de jacht. Nou ja, jacht. Het was een kwestie van onder de boom te gaan liggen wachten, in alle stilte. Tot er een mus was die haar niet in de gaten had en verdween tussen de kaken van Jolene. Ze nam de dode mus mee, legde die vlak achter de auto die in de binnentuin geparkeerd stond en ging zelf onder de auto liggen. Wachten, daar was ze heel goed in. Tot een van onze katten of honden langskwam en met interesse op de dode mus afliep. Dan vloog ze onder de auto vandaan, blote tanden en de grom van een bruine beer. Die beesten schrokken zich tien toeren de rondte in en lieten de mus voor wat die was. En Jolene? Die ging weer onder de auto liggen, wachtend op een nieuw slachtoffer. Het leek alsof wij haar hoorde lachen. Wij bedachten dat haar spel ongeveer zo was als die truc met een portemonnee aan een touwtje. Want als mens moest je ook niet proberen om bij de dode mus te komen. Daar weet vriendin K nog alles van. K en Jolene waren helemaal gek van elkaar. En was het ook vreemd dat Jolene in haar mand bleef toen K de tuin in kwam wandelen. K boog zich voorover naar de mand, maar had niet dat vogeltje gezien, dat daar keurig op een bladerdek gedrapeerd lag. Met dat K haar hand uitstak vloog Jolene als een feeks ophoog, tandjes bloot. Net mis. Ik moet zeggen dat ik dit niet het mooiste deel van het karakter van deze kroket vond. Maar wat dan wel?

Ze was vrolijk, lief, braaf, altijd een luisterend oor bij verdrietige momenten, speels op haar eigen manier, grappig vooral, eigenzinnig en koket. Dat bleek vooral toen wij haar in een tuigje hesen en meenamen naar de grote stad. Ze sprong uit de auto, keek om zich heen, had nog nooit een grote stad gezien, maar je zag dat ze er zin in had. Koket dus en trots rechtop liep ze naast mij. En toen kwam het, mensen stopten en keken naar haar. Steunden op een knie om haar te aaien en zelfs om haar te zoenen. Ze liet het allemaal als heel vanzelfsprekend over zich heenkomen en liep daarna dartel weer verder voor een volgende ontmoeting. Jolene prinses van Pécs. Maar bovenal was het onze prinses, hoe lelijk ze eigenlijk ook was, met haar veel te korte poten, veel te grote staart maar met ogen om in te verdrinken.

Jolene augustus 2007 februari 2014. En nog steeds missen we haar, nog elke dag. En ze is weer terug op het blog. Want als het verhaal verdwijnt lijkt het niet meer te bestaan. En daar was ze ons toch te dierbaar voor.