Het was ergens eind vorig jaar toen de kat van twee van onze vrienden overleed. Telkens als we elkaar ontmoetten kreeg ik weer iets in een mooie cadeauverpakking. Blikjes kattenvoer, druppeltje voor in de nek, een pakje droogvoer en een doosje met luxe zachte in jus klaargemaakte vlees of visbrokjes, verpakt in zakjes van circa 100 gram.
Nu aten onze katten, Zsazsa Gábor en haar dochter FeFe, eigenlijk altijd droogvoer uit een zak en nooit iets uit blik. Vreemd genoeg, als ik soms een blik gepelde tomaten opentrok, want dat doe je tegenwoordig niet meer met een blikopener of nou eigenlijk al heel lang niet meer, schreeuwden die katten het uit alsof ze van de honger zouden omkomen. En daarna werd het weer rustig en aten ze tevreden hun droge brokken op. Hoewel ze ook met droge brokken een enorme voorkeur hebben voor de duurste merken. En proberen we iets goedkopers, dan gaan ze gewoon in hongerstaking en miauwen ze net zo lang tot wij in een noodvaart naar de winkel rijden om dan toch maar de duurdere variant te gaan kopen.
Soms gaat dat zo met dieren. Ik moest ineens denken aan Pip. Wie deze hond gekend heeft weet dat hij een hele lieve slimme hond was en eigenlijk nooit een zeikerd met eten. Alles was goed genoeg voor hem. Tot wij op een onnozele dag een zak “eigen merk” van de supermarkt kochten. Jolene, onze duivelse teckel in kroket formaat, haalde direct haar neus er al voor op. Maar Pip viel zijn bak aan, zoals altijd, de hongerige wolf is bordercollie kleren. Hij nam een grote hap, keek mij aan en liet zijn bek openstaan, zodat alle hondenbrokken weer terugvielen in de voerbak. Zijn blik sprak boekdelen en ik las eruit: “als jij denkt dat ik dit ga eten, ben je bij de verkeerde hond”. En zo bleek. De voerbakken bleven onaangeroerd, zelfs geen kat die er zich aan waagde.
Maar nu terug naar het doosje met zachte in jus klaargemaakte vlees of visbrokjes, verpakt in zakjes van circa 100 gram, 10 stuks in een doosje. Zsazsa Gábor is in haar 18e levensjaar en haar dochter FeFe in haar 17e levensjaar. De gebitjes al flink versleten door de jacht op muizen en vogels die met huid, haar, vleugels en botten naar binnen gewerkt werden. Nog steeds wel, maar minder (zie hun gebitjes). En omdat ik het toch eindelijk weleens tijd vond om af en toe zo’n zakje met zachte brokjes in jus aan hen serveren en soms eens te verwennen. Lees goed: af en toe. BEGIN ER NOOIT AAN!!
Nu, elke dag als de zon begint te zakken en zij ineens geen tijdbesef meer schijnen te hebben wat etenstijd betreft en vooral ook nu de zon al tijden niet eens meer doorbreekt door de vette grijze grauwe bewolking, dus het kan op elk gewenst moment van de dag zijn, beginnen ze beiden met terroriseren. Bijna gillend voor hun voerbakjes. Eten! Nu! Ik blijf kalm en zet hen het droge voer voor en loop weg. Maar de keuken is naast Hans’ werkkamer, die ik vanaf moment hoor schelden. “Was er maar nooit aan begonnen! Hadden ze (de vrienden) die zakjes maar nooit cadeau gedaan! Want inderdaad, sinds de invoering van het zogenaamde “af en toe” is dat veranderd in “elke dag”. Liefst de hele dag door. En ook bij deze zakjes met lekkere dingetjes in jus zijn er verschillen tussen duur en goedkoop. U snapt het al, goedkoop is niet goed genoeg. Duur wel.
Ach, een kat is nooit te oud om te leren. Te leren harder te miauwen, te leren dat ze iets echt niet gaan eten en te leren dat wat lekker is, dat dit de hele dag door kan. En last but not least: ze snoepen alleen van de jus en de brokjes die overblijven, die hoeven ze niet.
Ach, ze zijn al zó oud en jammer genoeg leer je hen dit terroriseren niet meer af.
De telefoon ging, tien minuten voor de Hongaarse les begon. Ik herkende de naam die hij uitsprak. De rechercheur van politie die wij enige tijd geleden hadden ontmoet tijdens mijn getuigenverhoor van de inbraak deze zomer. Net toen hij mij een vraag wilde stellen hoorde ik geritsel en stemmen. En daar kwam die: Ja, hallo ik ben Robert, de tolk die jullie vorige keer heeft bijgestaan.
De vorige keer, wil zeggen bij het vorige getuigenverhoor. Ik had een oproep gekregen van de “Kapitan van Politie” om te verschijnen voor dit verhoor. Ik belde de rechercheur met de vraag of er ook een tolk bij dit verhoor zou zijn. Ja, een Duitse tolk. Welnu, sprak ik, ik spreek alleen Nederlands en Hongaars, dus heb ik niet veel aan een Duitse tolk. Hij zou het regelen. Fijn, want voor een verhoor moet je natuurlijk wel weten of je de vraag goed hebt begrepen en, ook niet onbelangrijk, of je dan wel het juist antwoord hebt gegeven.
Op de dag van het verhoor kreeg ik een krap uur van tevoren een telefoontje. De tolk was er niet, die zat ergens in Servië, daarom zou het verhoor worden verplaatst naar een andere datum. Ook goed, maar eerlijk gezegd vond ik het wel wat onbeschoft. In de oproep staat namelijk dat je verplicht moet verschijnen en als je niet komt, dan komt de politie je halen. Dat dan wel weer tegen een bedrag van boete en waarschijnlijk taxigeld. Ik ben verplicht, zij waarschijnlijk niet.
De dag van het getuigenverhoor brak aan. We reden naar Szigetvár en het was voorwaar niet warm die ochtend. Zwaaiend met mijn papier kwamen we op de afgesproken tijd binnen. Nee, we moesten wachten. We zouden buiten wachten. Want als rokers verdoen we liever onze tijd met een sigaret dan leeg voor je uit te staren op een houten bankje in de gang van een politie-verhoor-bureau, dat nog aanvoelt als de tijd van voor 1989. En daar kwam David, onze overbuurjongen. Hij stond te wachten op zijn moeder Zsuzsa, onze overbuurvrouw, die nu binnen was voor verhoor en dat was dan ook degene waar wij op moesten wachten. “Hoe laat word jij opgeroepen?” vroeg hij aan Hans. We haalden onze schouders op, vertelden dat we het ook vreemd vonden, maar Hans is niet opgeroepen. Ook David is niet opgeroepen. Vreemd eigenlijk, omdat hij meer kon vertellen dan zijn moeder. En datzelfde gold voor Hans en mij. Hans had ook meer gezien en gehoord dan ik.
Een half uur na de afgesproken tijd kwam Zsuzsa naar buiten, samen met de rechercheur. Eerst een beetje bijkletsen, dat moet kunnen. Maar ik werd nu wel een beetje ongedurig. Wanneer zou mijn verhoor dan beginnen? Welnu, daar kwam de aap uit de mouw. De tolk zat op het verkeerde politiebureau en was nu onderweg naar het juiste. Zsuzsa keek verbaasd en zei. “maar MÃp heeft toch helemaal geen tolk nodig! Die spreekt Hongaars!” Daar was ik het niet mee eens, want als er een fout insluipt door onbegrepen woorden, zijn dat wel mijn woorden. Maar de rechercheur had er vertrouwen in. “We proberen het gewoon en anders kan de tolk daar later nog veranderingen in aanbrengen”.
We liepen de gang in, een trap op. Passeerden nog een arrestant in de handboeien, geflankeerd door een agent. Liepen nog een gang door, hoekje om en daar was de verhoorkamer. Waar rechts de rechercheur achter zijn laptop plaatsnam en waar links een jonge dame zat waarvan ik geen idee had wat die daar deed. Het verhoor kon beginnen en het ging voortvarend. Soms, als ik het niet helemaal begreep, herhaalde ik zijn vraag. En soms, als de rechercheur niet zeker was, herhaalde hij mijn antwoord. Het verhoor was bijna gedaan, maar toen zwaaide de deur wijd open.
Hallo mijn naam is Robert, ik ben tolk. Hij ging zitten wees mij op mijn rechten en op mijn plichten. Want op meineed staat gevangenisstraf. Ik keek hem verbaasd aan. “Ik moet hier getuigen toch? Waar zou ik over moeten liegen dan?” Het antwoord was dat hij een juridische achtergrond heeft en dat het belangrijk was om te weten. Toen voegde hij zich bij de laptop van de rechercheur, las de tekst en zei: “oh dus je spreekt een beetje Hongaars?” Hans, ongeduldig zoals hij is, wilde wel vaart maken en het verhoor door laten gaan. Ik was tenslotte bijna klaar. De vraag ging over geleden schade. Nu vond ikzelf de impact van de ongewenste bezoeker vele malen erger dan de uiteindelijke schade. Hans, die zich er niet mocht bemoeien maar dat toch deed, zei: “Och, zo’n deur die ook nog eens vergoedt wordt door de verzekering”. En daar was de tolk: “Nou, ik zie anders wel een foto van een deur die ingetrapt is, dat vind ik toch heel bedreigend. En bedenk wel dat alle schade op deze dader verhaald gaat worden. Kom hier maar eens om in Nederland! Daar komt de politie helemaal nergens meer voor. Hier in Hongarije maken ze er tenminste werk van dat zo iemand achter de tralies gaat!” Hij wierp zijn pak met veren in de richting van de kont van de rechercheur, terwijl hij het zojuist gezegde in het Hongaars vertaalde. Nu begon ik nog minder vriendschappelijke gevoelens te krijgen jegens deze man. Hij is tolk, niet onze jurist. Hij is tolk en een afschuwelijke bemoeial. Hij moet vertalen, dat is alles.
Hans werd ongedurig en wilde weg. We hadden nog een afspraak met een vriend die dag en daar wilden we graag naar toe. De tolk vroeg of die afspraak werkelijk zo belangrijk was. Want dit verhoor moest wel goed worden afgemaakt. Hans verdween, maar werd later weer teruggebracht, omdat je niet als vreemdeling zonder begeleiding door de gangen van dit gebouw mocht wandelen. Ondertussen vertelde ik dat ik een ketting had gevonden met hele grote gouden schakels en dat die tot niemand toebehoorde die wij kennen. Ik wilde de ketting graag teruggeven aan de dader, want het moest wel zijn ketting zijn. “Nee, zei de tolk, die ketting hoeft niet te dienen als bewijsmateriaal want de dader heeft toegegeven dat hij schuldig is.” Oh, dan laat ik hem toch maar omsmelten.”
En daar was dus Robert, die de telefoon uit de handen van de rechercheur had genomen, zo tien minuten voor mijn Hongaarse les. Ik hoorde dat Hans direct moest komen voor verhoor. Dat ik een aangetekende brief had getekend voor de oproep van dit verhoor. Niets van waar. Geen brief. Niets getekend. Alleen een brief over de gage van de tolk. Meer niet. Maar hij zag daar die brief die door mij getekend was. Niet waar, nooit gekregen, nooit getekend. Maar toch moest Hans komen. En wel nu!! Hans zei nee. Die had een afspraak met de huisarts en daar ging hij naartoe. Je moet komen! Zijn stem begon over te slaan. Anders komt de politie je ophalen en dat wil je niet een dorp als dat van jullie. Geen last van, we hebben ervaring met politie hier. Ik stelde voor hem terug te bellen, zodat ik even met Hans kon overleggen. Dat was niet mogelijk. Ondertussen begon ik mij steeds meer te verbazen waar een tolk, toch buiten het vertalen van woorden, zich mee bemoeit. Want ik hoorde geen opdrachten hiertoe.
Hans ging, onder lichte dwang van mij, de huisarts zou dan wel iets later kunnen. Hij ontmoette de tolk in de wachtruimte, die uitlegde dat zo iemand toch echt zwaar gestraft moet worden. Dat zijn enorm drugsgebruik waarschijnlijk wel de aanleiding was voor zijn agressie. Althans dat vermoeden had hij. De tolk.
En wat betreft die ketting, dat was een geintje natuurlijk, want slechts de kleur van de verf is goud van deze ketting.
De zaterdag na 1 november, de dag dat Brigi bij ons vertrok, bestond uit tranen. Babybadjes vol tranen. Alle emoties vlogen alle kanten uit. We besloten om de eigenaar een voorstel te doen de hond te kopen. Zijn telefoon stond uit. Dan maar de dierenarts gebeld met de vraag om bemiddeling. Dat deed hij liever niet. Dat snap ik heel goed, want het is zijn vriend. Maar hij vertelde wel dat de hond gelukkig was samen met zijn bazin en haar kind. Dat stelde gerust.
Zondag keek ik Hans aan: Dit gevoel moet niet blijven. Ik zal moeten accepteren dat de hond gewoon terug is bij zijn eigenaar. Of ik het er mee eens ben of niet.
Dan dringt de rest van het verhaal, dat Mimi mij vertelde, tot mij door. De man, die ik niet zo graag mag, blijkt de opper te zijn van alle jagers in onze provincie. Hij heeft diezelfde vrijdagavond een alarm uitgedaan naar alle jagers die onder hem vallen. In het jachtseizoen mogen de jagers namelijk een hond, die losloopt in het bos, doodschieten. Iets dat wel vaker gebeurd. Maar in dit alarm stond dat ze de hond niet mochten schieten en als ze hem zagen, dat zij dan contact met de opperjager moesten opnemen. Maandagmorgen bleek hij nog niet gevonden. Wel kregen we het advies voorzichtig te zijn met deze opperjager. Met macht ben je veel in dit land.
Ik dacht aan de dierenarts en zijn woorden van zaterdagmorgen. Geen ene moer van waar dus. Gewoon gelogen. Toen ik hem belde vertelde hij dat de hond niet bij hem als vermist was aangemeld. Hij snapte zelf ook niets van het verhaal. Of hij geloofde mij niet, dat kan natuurlijk ook.
We gingen zoeken. Reden in de richting van de heuvels en de bossen die we daar in al hun grootsheid voor ons zagen. “Speld in een hooiberg” dacht ik. Hans berekende het aantal vierkante kilometers en legde de kans uit dat hij ook nog een heel andere kant op zou kunnen gaan. Opgeven vind ik een naar woord. Maar die speld zoeken zou nog veel vreemder zijn.
Tegelijk moest ik denken aan onze hond Stukkie. Mijn vader had die hond ooit overgenomen van een schipper en meegenomen naar huis. De hond was helemaal zwart met een klein wit stukkie. Vandaar deze zeer creatieve naam, verzonnen door mijn zus Tonnie en mij. De hond was nogal een lastpak, zeker voor mijn moeder, die helemaal niet van dieren hield. De hond moest weg. Ver weg. Want de keer daarvoor moest hij ook al weg en stond hij de volgende dag weer voor de deur. Nu werd hij ergens op de Veluwe ondergebracht, zo’n 125 kilometer van ons huis. Enkele weken later stond hij op een zonnige zaterdagmorgen gewoon weer voor de deur. Ik zag en voelde best wel mogelijkheden voor Brigi.
Ik kreeg veel adviezen. Misschien vroeg ik erom, misschien ook niet. Maar in veel gevallen was dit advies: laat het los. Laat het van je afglijden. Het is niet jouw hond, dus heb je er niets over te zeggen. Maar in mijn hoofd spookte het rond. De hond woonde daar in vrijheid zonder hek. En wat doe je dan met een hond die wegloopt? Ik had er wel paar scenario’s van in mijn hoofd. En dat waren eerlijk gezegd niet de meest vredelievende. Maar het liet me niet los, omdat ik gewoon geen informatie kreeg over de hond. Ik wilde gewoon weten hoe hij er aan toe was. Of Brigi nog op de vlucht was. Of hij thuis was. Of dat hij misschien per ongeluk toch was doodgeschoten.
Donderdag belde ik de eigenaar. Zijn telefoon was nu wel aangesloten, maar werd niet opgenomen. Dan maar een sms verstuurd. En zie daar, ik kreeg antwoord: het gaat goed met de hond. Dat zou toch goed moeten voelen? Maar dat deed het niet. Diezelfde middag belde bij toeval de dierenarts. Hij had erover nagedacht en wist het ook allemaal niet zeker. Hij wilde toch maar eens een kijkje gaan nemen. “Morgen bel ik je, dan weet ik meer” vertelde hij.
Vrijdag werd een lange dag van wachten en in de avond had ik nog steeds geen antwoord. Dan ook maar een sms sturen, hoewel ik dat eigenlijk zelden doe. Ik kreeg geen antwoord.
De volgende dag dompelden wij ons onder in het (bijna baarmoederlijke) warme water van Harkány. We dobberden er heerlijk in rond. Het vertellen, vragen en luisteren was nog lang niet gedaan. Ook de warmte niet.
De dag erna, het was alweer hun laatste, werd een klussendag. Dorothe pakte een klus aan samen met Hans waar hijzelf al jaren niet aan toegekomen was. Alles gedoseerd, zodat er niet al teveel verwarring zou ontstaan. Na een uur mocht Hans met Frans een buitenklus gaan doen terwijl Dorothe binnen flink doorpakte. Het vertellen, vragen en luisteren hield ook die dag niet op. En de warmte ook niet.
We brachten onze laatste avond door in de warmte van een mooie vriendschap. En natuurlijk bespraken wij de toekomst van Brigi. Het meest troostvolle vond ik, althans dat vertelde ik mezelf, dat hij dan terug zou gaan naar die mooie plek bij het bos. In alle vrijheid die een hond zich maar voor kon stellen. Ik zou dan wel een grote egoïst zijn om hem dat niet te gunnen. Maar gelukkig was dit niet het enige onderwerp van de avond. Het vertellen, vragen en luisteren hield ook deze avond niet op.
De volgende morgen brachten we Frans en Dorothe naar de trein. Bij het uitzwaaien op het perron overviel mij een leegte, maar tegelijk voelde ik een warmte van drie dagen die zo heerlijk waren geweest. Dat blijft altijd het positieve van heel fijn bezoek.
Het wachten op het telefoontje van de dierenarts werd een kwelling. Aan het einde van de middag vond ik het genoeg. Ik belde hem. Nee, hij had zijn vriend nog niet gevonden, wel een ander nummer gebeld waar ook niet opgenomen werd. De hoop sloeg toe. “Morgen laat ik het je weten”.
Gisterenmiddag kwart voor twee belde de vriend. De hond was weggelopen tijdens een enorme onweersbui. Ze hadden hem elke dag gezocht. Zijn dochter van zes was ontroostbaar geweest en huilde elke dag. Maar vandaag, zei hij, huilt ze van vreugde. In mijn hoofd doolden honderd vragen rond. Waarom hij zo bang was? Waarom ze hem niet als vermist hadden opgegeven? Waarom zijn telefoonnummer niet werkte? Waarom twee Nederlandse mensen, op het juiste adres, niets wisten van een vermiste hond? Op alles was een antwoord en nu moest ik mezelf bij elkaar pakken, omdat de hond zijn oude goede leven weer tegemoet mocht zien. Ik sprak mezelf toe dat dit niet over mij maar over Brigi ging. De man wilde gelijk komen maar ik verschoof de tijd naar vijf uur in de middag.
Om vijf uur stopte een auto, daaruit stapte een man van rond de zestig, een vrouw van een jaar of vijfentwintig en een kind van zes. Ik dacht aan vader, dochter en kleinkind. Hans liep naar de poort en legde zijn vinger op zijn mond. We moesten Brigi verrassen als hij zijn liefdevolle eigenaren weer terug zou zien. Brigi stond bij de poort, staart tussen de achterpoten en verdween naar binnen. Ik riep hen naar binnen, maar de man bleef buiten. Hij wilde eigenlijk gelijk gaan en zij, de jonge vrouw, was tenslotte de eigenaar van de hond. Ze riep zijn oude naam, Brigi kroop dieper weg. Ze bleef hem roepen, maar geen teken van herkenning of enthousiasme. Ze zakte huilend door zichzelf heen terwijl de man buiten stond te blaten hoe bang die hond voor mannen was. Ik voelde mijn bloed koken (nog steeds) en vertelde hem dat wij regelmatig mannen op bezoek hadden gehad, dat de hond inderdaad voorzichtig was, maar uiteindelijk altijd kwam. Zelfs bij Frans, die toch ruim twee meter is, had hij zichzelf zelfs gewoon aangeboden. Wat een eikel was die kerel.
Brigi drukte zich in de hoek. Ik riep zijn naam: Brigi! Kom maar, het is goed!. De vrouw, die nog steeds huilde, vertelde me dat ik de hond zo niet mocht noemen en dat hij Koli heette. Ik keek haar aan: Hier heet hij Brigi en daar luistert hij heel goed naar. Trut! Dat dacht ik, maar zei dat natuurlijk niet. Brigi kwam voorzichtig, keek naar haar, rook aan haar, draaide zich om en verdween weer naar zijn schuilplek. Ook op het jonge meisje reageerde hij totaal niet. Nu was ik in tranen. Wat gebeurde hier? Ik voelde me een verrader, omdat de hond terug moest naar mensen waar hij helemaal niets mee had, ook al had hij daar al zeven jaar gewoond.
De man maakte aanstalten om te gaan. Nee, zei ik. We gaan eerst eens even laten zien wat Brigi de laatste zes weken beleefd heeft. Ik liep naar de kamer opende mijn computer en Brigi kwam achter mijn stoel liggen. De vrouw keek hem met grote ogen aan, hij gunde haar geen blik waardig.
Ik toonde haar de foto’s. Brigi wandelend aan de lijn. Daar viel haar bek open, dit was onmogelijk. Hij had dit nog nooit toegestaan. Maar ze zag het, hij liep toch echt aan de lijn. Toen de foto dat ik hem aan het uitborstelen was. Maar dat had helemaal niet gemogen, deze hond had je moeten plukken. Maar, wierp ik tegen, hij zat helemaal vol met distels en hij stonk. Ja, wierp zij tegen, maar hij woont ook vlak bij het bos dat vol met distels zit. Er doemde mij een beeld op dat deze hond helemaal niet tijdens het weglopen vol met distels was komen zitten, maar dat dit zijn normale dracht was. Dat klopte. En daarna heeft Hans hem gewassen vertelde ik iets te venijnig. Op de foto waar Brigi samen met Hans in het gras zit reageerde ze stil. Hij komt nooit bij mannen. Nooit.
Mijn gevoel dat ik er goed aan had gedaan hen te verwelkomen vloeide langzaam uit mij weg. Ik voelde woede. Woede op mezelf, dat ik deze hond hier zat te verraden. Dat ik hem mee moest geven aan iemand die hij absoluut niet lief had. Maar ik ging door. De foto met het meisje dat Brigi heet. De foto samen met de honden in het gras. De foto die Hans op de facebook pagina had gezet, speciaal voor gevonden Bordercollies, waarop hij er zo verwaarloosd uitzag. Hans toonde tussendoor het filmpje dat hij achter mij aan kwam rennen. Boldog sprak ze, het woord dat de betekenis “gelukkig” heeft. Ja, boldog sprak ik.
Ik vertelde haar dat ik zijn ogen twee keer per dag schoonmaakte met gedestilleerd water en er daarna zalf op deed. Ze keek me nog een keer met grote ogen aan. Zijn ogen schoonmaken? Daar mag ik helemaal niet in de buurt komen. Toen besefte ik ook dat hij al lang ontstoken ogen had voordat hij wegliep. Dat hond zich niet verwaarloosd had nadat hij was weggelopen, maar ook dat dit zijn normale dracht was.
De man ijsbeerde en vond dat het wel lang genoeg geduurd had en zei nog terloops dat de hond wel mager was. In hoe korte tijd kun je iemand een eikel, een klootzak en een boerenlul tegelijk vinden. In een hele korte tijd.
Tijd om te gaan. Ik gespte zijn halsband vast, klikte zijn riem er aan. Ga je mee Brigi? Hij stond op, liep achter me aan, Hans gaf hem een laatste knuffel, ik gaf hem een laatste knuffel en bracht hem naar de auto. Zij zat in de auto en riep zijn oude naam. Hij draaide de riem om mijn enkels, niet van plan om in te stappen. Toen riep de vrouw “Brigi” en zijn oren kwamen omhoog, maar toch ging hij niet. Ik tilde hem in de auto, gespte zijn halsband los. Hij trilde, keek me aan. Mijn tranen vloeide en ik gooide de deur dicht.
Nee, er was geen weg terug. Als je iemand asiel geeft, dan zorg je daar goed voor. Maar als het land van herkomst veilig wordt genoemd, dan moet hij terug.
Ik kan de eerste bladzijde over het eerste deel dat hij hier is van hem lezen. Hij heeft mijn hele boek al uit. Daar waar ik nog steeds veel vragen heb over hem, heeft hij de antwoorden over mij al in zijn mooie koppie gestampt. Hij doorziet mij. Hij doorvoelt mij. Hij weet dat ik het allerbeste met hem voor heb. Hij wacht om het beste van hemzelf te laten zien.
Ik ga u waarschuwen: dit wordt een hele lange blog!!
Is hij weggelopen na een donderbui? Verdwaald is het bos? De verkeerde afslag genomen, waardoor zijn huis niet meer vindbaar was? En dat hij nu heel erg gemist zou worden? Dat kan.
Of is hij mishandeld vertrokken. Dat kan ook.
Is hij ontvoerd vanwege zijn ras? Zodat hij een loopse teef van hetzelfde ras zou kunnen bevruchten? Waarna er mooie puppies van zouden kunnen komen die veel geld op zouden kunnen brengen? Maar toen bleek dat hij gecastreerd was dat ze hem uit de auto hebben gedonderd? Dat kan.
Of is zijn baas overleden en wisten familieleden niet wat ze met hem aan moesten? Waarna ze hem uit de auto donderde, omdat ze niets met hem hebben? Dat kan.
Maar waarschijnlijk wel met een extra schop onder zijn kont. Dat kan ook.
Of heeft zijn eigen baas hem op transport gezet en daarna uit de auto gedonderd, omdat hij teveel geld ging kosten? Dat kan.
Na vijf dagen wegduiken en verstoppen had ik hem ineens bij zijn kladden. Hij gaf zich direct over. Ging op zijn rug met vier poten tegelijk ingetrokken. Een volledige overgave dus. En na ruim twee uur trekken en roskammen, terwijl haar kwijlend van genot op de veranda lag, had ik hem uit zijn jas geholpen. Misschien waren het wel drie winterjassen.
Op de voorgrond geen andere hond, maar het uitgekamde haar, inclusief alle distels, van meneer Brigi..
Het zogenaamde tot elkander komen vroeg om geduld. Dit laatste wel van mijn zijde. Steeds iets dichterbij en daarna weer snel wegduiken en verstoppen. Laat ik zeggen dat hij mijn geduld best wel op de proef stelde. Maar, zoals u al begrijpt, kan hij mij beter lezen dan ik hem.
Op de zevende dag, tja ik weet het het begint op een bijbels verhaal te lijken, lag hij heerlijk op zijn schuilplek in de zon de te slapen. Ik greep hem vliegensvlug in de nekvel en gespte zijn halsband om. Haakte de riem aan en probeerde hem mee te krijgen. Na veel tegenstribbelen en steeds weer zitten en/of liggen gaf hij zich over en liep aan de lijn met me mee. Ook nu toch ook weer in volle overgave, maar wel zonder kwijlen trouwens.
Sissi en Bence, heel nieuwsgierig hoe meneer Brigi daar toch gewoon lag te liggen.
Op de tiende dag werd het tijd voor een wandeling aan de riem. Kort, dicht bij mij, zodat hij mijn woorden zou kunnen begrijpen. Laat ik zeggen dat hij er niet al te enthousiast over was, maar het feit dat we gingen wandelen op de plek waar hij al dagen voor het hek naar uit zat te kijken, maakte hem best een beetje vrolijk. Deze wandeling herhaalden we een paar keer voor gewenning aan elkaar.
Op de twaalfde dag mocht hij dan eindelijk aan de lange lijn. Hij rende voor me uit, stond stil, keek achterom en wachtte tot ik weer bij hem was. Dit herhaalde zich de hele wandeling door. Dat gaf vertrouwen.
Aan de lange lijn, maar toch vrij genoeg. Geen getrek, alleen maar blijdschap.
En dan eindelijk, na twee weken hier te zijn aangeland kwam daar de grote spannende dag voor ons allemaal. Ik opende het hek, Sissi en Bence renden er als gewoonlijk doorheen. Hij keek naar mij, toen naar de vrijheid voor hem. Hij sprong met vier poten tegelijk, staartzwaaiend in de lucht. Hij keek weer naar mij en rende door het hek zo de wijde wereld in. Na drie meter stopte hij. Keek om en wachtte tot ik bij hem was. Hij herhaalde zijn staartwaaiende sprongen, rolde op zijn rug, liet zijn buik zien, vier poten ingetrokken en nadat ik hem geaaid had rende hij zo blij zoals ik een hond nog nooit blij had gezien.
Hij was blij, hij was vrij. Meneer Brigi tijdens zijn eerste vrije uitloop.
Wij kregen het gevoel dat we aardig wat terrein begonnen te winnen. Natuurlijk, hij is nog steeds schichtig en voorzichtig. Nog steeds bang voor mannen. Hoewel hij zich soms zelfs bij Hans aanbiedt voor een knuffel. Maar niet te lang en ook vooral niet te dichtbij.
Meneer Brigi, met Hans. Samen neus aan neus. Hij was zeker lief, maar zeker niet zeker.
Naar aanleiding van dit verhaal wilden we het voorzichtig aan doen. Alles met zekerheid weten voordat we Brigi terug zouden gaan brengen waar hij vandaan kwam. Als Brigi als vermist opgegeven zou zijn, zou het betekenen dat wij de hond gestolen zouden hebben.
7 oktober is Brigi 17 dagen bij ons. Vriendin brengt een geleende chip-scanner mee. Vakkundig haalt ze de scanner langs zijn voorkant. Scanner piept. Scanner geeft een getal van veel cijfers. Vriendin stuurt het getal door naar een vriendin. De vriendin van de vriendin stuurt het door naar de dierenarts. De dierenarts wil helpen, maar zegt wel: als alle gegevens kloppen, dan moet de hond terug naar zijn eigenaar. Mits die hem terug wil.
8 oktober. De eerste gegevens komen door. Brigi is negen jaar. Draagt een naam die ik hier niet ga noemen, omdat die te belachelijk is. En een belangrijk detail: hij is niet als vermist opgegeven.
We horen een tijdje niets. De spanningen stijgen.
Afgelopen donderdag komt het nieuws van zijn adres. Ik bekijk de plek op google maps en zie daar een pracht van een bosrijke omgeving. Ik voel iets borrelen. Als dit werkelijk zijn thuis is en de eigenaar zou hem terug willen, dan moet hij ook echt terug. Ik denk dat ik het wel dertig keer herhaald heb. Waarschijnlijk om mijzelf te overtuigen dat het vele malen beter voor Brigi zou zijn. Zo prachtig.
De vriendin van de vriendin woont niet al te ver van deze prachtige plek. Zij zal op zoek gaan naar de eigenaar. Pfff….
Ze vindt de plek. Maar vindt geen eigenaar. De mensen die er nu wonen, wonen er pas een week. De mensen die er daarvoor woonden hadden geen hond.
Onze vriendin belt ons met het feestelijke nieuws. We zijn blij.
Dierenarts laat weten dat er toch nog een telefoonnummer van de eigenaar is, dat telefoonnummer is hij verplicht te bellen.
De dierenarts belt het nummer. Het nummer bestaat niet meer. Het nummer is buiten gebruik.
Op vrijdag 18 oktober, vier weken nadat wij Brigi gevonden hebben, heeft Brigi een nieuw huis. Helemaal van hem, samen met katten, kippen en twee andere honden. Hij mag blijven. De dierenarts zet de chip over op onze naam en zijn nieuwe naam. Brigi-Kortleven-Molenkamp.
Onze grote dank gaat naar onze vriendin, de vriendin van onze vriendin en de dierenarts van deze vriendin. Zonder deze mensen hadden wij dit nooit kunnen doen. Het lijkt de oscar uitreiking wel.
De discussie is gestopt. Het doemdenken is voorbij.