Ergens rond het jaar 2000 kreeg ik van Dorothé en Frans (en de kinderen natuurlijk) een jeugdboek “Voor altijd samen, amen”. Van de schrijver Guus Kuijer met schitterende illustraties van Alice Hoogstad (op haar illustraties ben ik voor altijd verliefd gebleven). Het heet een jeugdboek maar zou eigenlijk door iedereen gelezen moeten worden. Veel wil ik er niet uit verklappen, maar één zin uit dat boek is mij voor altijd bijgebleven: “Is er genoeg lucht voor onze kastelen”? Dus de aanhef van dit blog is niet helemaal van mijzelf. Ik heb de zin gebruikt en mijn eigen woorden eraan gegeven.
Aan het einde van het jaar 2025 hebben wij elkaar innig omhelst en geklonken op een nieuw, beter, vrolijker en gezonder nieuw jaar. Het grote verlies van vrienden en familie aan die afschuwelijke ziekte. Kanker. Behalve mijn zwager dan, die overleed aan kanker en een gebroken hart na het verlies van zijn vrouw, mijn zus.
Opgelucht traden wij het jaar 2026 in, maar lang duurde dat niet. Want al op 2 januari kregen wij het eerste onheilsbericht. Bij mijn lieve zus Ineke was uitgezaaide, niet te genezen longkanker ontdekt. Nooit gerookt. Altijd succesvol gesport en altijd gezond gegeten. De longarts noemde het vette pech. Vlak daarna belandde mijn andere, ook lieve zus Anneke, met een herseninfarct in het ziekenhuis. En of het allemaal nog niet genoeg was, en ik begrijp best dat je er al genoeg van krijgt om verder te lezen, kregen we het onheils bericht uit Nederland dat Hans’ jongste dochter Mitone uitgezaaide alvleesklierkanker heeft.
Het besef dat een kind kan gaan sterven doet iets met je hele wezen. Het trekt in elke vezel van het lichaam. Het verstikt. Het vernauwd het heldere denken. Tranen lijken een uiterlijk vertoon, omdat het niet weergeeft hoe het er vanbinnen werkelijk voelt. Het is woede, onmacht die een hartverscheurende pijn veroorzaken.
We lieten ons huis achter in de handen van Arwen en Ron, die hier voor de 20ste keer waren. Het zou eigenlijk een heel bijzondere twee weken moeten worden. En dat waren het ook, alleen niet in die zin van fijn en prettig. Natuurlijk wel de eerste week toen er nog niet veel aan te hand bleek. We lieten ons huis achter met honden en katten en kippen die allemaal verzorgd moesten worden. Voor ons een makkelijk al jaren dagelijks ritueel, maar voor hen allemaal nieuw. Maar we lieten ons huis achter in vol vertrouwen. En terecht. Het was op een vroege dinsdagmorgen. 28 april 2026.
We reden naar Nederland, vol obstakels, files en ongelukken. Het stressgehalte in de auto bleef laag. Onze gesprekken stokten pas toen we doodvermoeid in een Duits hotel in slaap vielen. De helft van de rit lag achter ons, dus lag de andere helft van de rit nog voor ons.
Als we al dachten dat dinsdag niet de beste dag was om door Oostenrijk en Duitsland te reizen, dan moet gezegd worden dat woensdag al helemaal niet te doen is. Urenlang langzaam rijden en stilstaan. De routeplanner gaf aan dat we rond drie uur in Rotterdam zouden zijn. Maar na nog meer obstakels en files kwamen we eindelijk rond half acht in Rotterdam aan.
Het weerzien met Mitone en Michel en Annatasja en Milan was warm en emotioneel. Alles was uit de kast getrokken om ons welkom te laten voelen. En zo voelde het ook. Het was mooi om te zien hoe vader en dochter, Hans en Mitone, elkaar met een selfie voor eeuwig vastlegden. De hardheid van het bestaan leek even in mist gehuld alsof we hier niet waren waarvoor we gekomen waren. Maar dat was uiterlijke schijn. Hen allemaal te zien en te voelen en vast te houden en te knuffelen. Het was een gouden moment met een gitzwarte rand.
Anne Marie, vriendin sinds hele vele jaren, had op ons gewacht met eten en een heerlijk glas wijn. Daarna schoven we in ongeveer het allerheerlijkste bed waarin we ooit geslapen hebben. Zij stond het aan ons af en sliep zelf in de logeerkamer. Hoe rijk kan een mens het hebben?
Donderdag alweer. Eerst tijd voor een kroketje, zoals altijd als we in Nederland zijn. En natuurlijk even naar de Hema voor sokken en slipjes en t-shirts en hemdjes. Een soort vreemde verstrooiing voor zulke emotionele dagen. Ik belde mijn zus Anneke. “Ben je thuis”? Stomverbaasd was ze. “Maar kom je dan langs”? “ja, straks, als dat goed is”? En natuurlijk was dat goed. Verbaasd was ik hoe goed ze eruit zag en hoe ze zich toch redelijk goed door haar huis bewoog. Anneke, een zus met een veerkracht die zijn weerga niet kent. Daar kan ik nog heel veel van leren.
Hans, ondertussen, herstelde niet echt van de barre heenreis naar Nederland. Warrige dromen en verdriets-stress hielden hem uit zijn slaap. Maar op vrijdagmorgen lokten moorkoppen en ijzerkoekjes bij de koffie. Eindelijk konden we mijn zus Ineke en zwager Koos omhelzen. En natuurlijk gingen de gesprekken over toekomst en de angsten daarvoor. Maar ook de realiteit om te bezien wat de medische wetenschap haar allemaal te bieden heeft. En daarbij blijken nog wat strohalmen te zijn in de vorm van medicatie (nee, geen chemo of bestralingen) die haar leven voor enige of langere tijd zouden kunnen verlengen in de vorm van een redelijk normaal leven.
De intensiteit van dit soort dagen vragen veel van een lichaam en geest, maar tegelijk ook de warmte van al dat weerzien maakt het dat dit het allemaal waard is.
Zaterdagmorgen vroeg, het was 2 mei, reden we terug naar Hongarije. Het zou een achteraf niet zo’n verantwoorde reis worden. Eigenlijk helemaal niet verantwoord. Maar toch reden we door tot dat we aan het einde van de avond thuis waren. Gesloopt, hongerig, dorstig, maar omringd door honden en katten die in fijne handen waren achtergebleven. We zijn Arwen en Ron voor eeuwig dankbaar dat zij ons deze mogelijkheid hebben geboden. Mooie vriendschappen zijn niet voor het oprapen en deze zeker niet. En ook zeker niet als je bij thuiskomst ziet dat de vuilnisbakken een veilig onderkomen hebben. Een onderkomen waarbij Brigi geen schijn van kans heeft om die overhoop te halen.
We probeerden het leven weer een beetje op te pakken. Dingen aan te pakken die nodig zijn als je een redelijk groot grondstuk hebt. Het aanleggen van de nieuwe moestuintjes met mooie schaduwplekken hadden we met Arwen en Ron al afgemaakt, alleen die moesten natuurlijk nog wel gevuld worden met lekkere dingetjes om later te kunnen eten. Voorzichtig aan begon ik met de invulling en vond ik in het buiten werken een verlichting. Voor hoofd en voor ziel. Maar Hans herstelde maar niet van de reis. Stoer riep hij: “Maar tijdens de Dakar reed ik een marathon van 48 uur achter elkaar”. Ik draaide mij om en zei: “Maar lieve schat, dat is wel veertig jaar geleden”.
Hij begon slechter te slapen, maar overdag werden zijn korte slaapjes op de bank steeds veelvuldiger. Ik spoorde hem aan dat minder te doen, zodat hij in de nacht wat meer door zou slapen. Maar het lukte niet. Een vreemde hoest en pijnen die steeds weer ergens anders bleken te zitten. De verdriets-stress leek hem volledig op te vreten.
Ik zag het gebeuren. Ik voelde het gebeuren. Het was op de dag dat wij bij Esther en Frank op de koffie waren. Tijdens een fijn gesprek stond Hans op en riep dat hij niet meer kon en dat hij naar huis wilde. Ik zag iets aan zijn verschijning waarvan je zou kunnen zeggen dat iemand breekt. Totaal breekt.
Na het weekend maakte ik een afspraak met de huisarts. Ik vertelde als in een stortvloed wat er allemaal aan de hand was en dat ik het vermoeden had dat de stress Hans aan het opeten was. Ze nam zijn bloeddruk op, die was gelukkig goed. Ze beluisterde zijn longen. Niets vreemds te horen. Schreef hem een slaapmiddel voor (op mijn en zijn verzoek) maar maakte gelijk even wat verwijzingen voor röntgen, bloedonderzoek en een echo. Iets dat zij wel redelijk standaard doet als ze dingen niet zeker weet. We reden direct door naar het gezondheidscentrum waar direct tijd was voor de röntgen. Bloedonderzoek en echo vonden op een later tijdstip plaats, ergens ver in juni.
Vrijdag belde ik met de assistente met de vraag of er al uitslag was van de röntgen. Helaas zou die pas dinsdag bekend zijn, na de pinksterdagen. Dinsdagmorgen om acht uur, we zaten heerlijk in de schaduw na wat werk in de moestuin, belde ik weer. Er klonk wat gerommel door de telefoon, ze vroeg een momentje en daarna klonk het zacht: “de dokter wil de uitslag niet telefonisch geven en wil graag dat jullie hier even naartoe komen.
Natuurlijk gingen we en wel direct. Met bonkend hart. Om half negen zaten we bij haar binnen in de spreekkamer, ze keek over haar bril met een zachte blik, pakte de papieren en begon aan de uitleg. Even dacht ik dat mijn Hongaars me nu helemaal in de steek zou laten. Ik vroeg om herhaling van haar woorden. Ik had ze goed verstaan, die woorden. Tumor in de long. De printer ratelde met verwijzingen met daarbij dik onderstreept “sürgös”, wat de betekenis dringend of spoedeisend heeft. Ik las: longarts, ct-scan, versneld bloedonderzoek.
We reden die dinsdag direct naar het gezondheidscentrum. Afspraak longarts nog diezelfde middag. Tumor in het longvlies. Asbestkanker. Longarts maande spoed. Bloedonderzoek naar voren gehaald voor de volgende dag, afspraak ct-scan de aankomende vrijdag. En toen was het nog maar dinsdagmiddag.
Vrijdagmiddag ct-scan. Volgende dinsdagmorgen uitslag, die ik ook in de e-mail binnenkreeg. Ik probeerde te vertalen, maar kwam er niet uit. Belde de huisarts, die er ook niet uitkwam, behalve dan dat er uitzaaiingen in buik en hals zitten. Vrijdag terug naar de longarts, waarop ik mijn hoop had gevestigd voor meer helderheid. De ct-scan was niet helder genoeg maar gaf nog wel enkele verdachte plekken aan. Ze gaf me een telefoonnummer om een afspraak te maken voor een pet-scan. Toen brak ik. Alle tranen die hun weg nog niet hadden gevonden stroomden in het gefilterde licht van de spreekkamer over mijn wangen. Ze reikte me een zakdoek aan. Ik snikte zo hard dat haar assistente spontaan begon mee te huilen. Ze keek me aan, vol oprechte medelijden, toen ik haar vertelde dat wij die maanden niet konden en wilden wachten op een afspraak. Ze nam het papier terug, pakte haar telefoon en tikte een nummer in van iemand die ze kende. Vrijdag 19 juni een afspraak. Twee weken is lang, maar in ieder geval geen twee maanden of meer wat hier (en waarschijnlijk op heel veel plekken in de wereld) de normale wachttijd is.
Wat een pet-scan gaat uitwijzen weten we niet. Maar wel dat de uitkomst daarvan niet beter is dan de ct-scan. Babybadjes vol met tranen zijn er al geplengd. Na fijne gesprekken, na mooie gedichten (dank Dorothé, zo mooi!), na mooie muziek, na fijne ontmoetingen, na veel lieve woorden om ons heen. Ik denk het niet. Ik denk niet dat er genoeg tranen zijn voor al dit grote verdriet allemaal bij elkaar.
