Dan stopt de discussie. Het doemdenken wordt gestaakt.

Ik kan de eerste bladzijde over het eerste deel dat hij hier is van hem lezen. Hij heeft mijn hele boek al uit. Daar waar ik nog steeds veel vragen heb over hem, heeft hij de antwoorden over mij al in zijn mooie koppie gestampt. Hij doorziet mij. Hij doorvoelt mij. Hij weet dat ik het allerbeste met hem voor heb. Hij wacht om het beste van hemzelf te laten zien.

Ik ga u waarschuwen: dit wordt een hele lange blog!!

Is hij weggelopen na een donderbui? Verdwaald is het bos? De verkeerde afslag genomen, waardoor zijn huis niet meer vindbaar was? En dat hij nu heel erg gemist zou worden? Dat kan.

Of is hij mishandeld vertrokken. Dat kan ook.

Is hij ontvoerd vanwege zijn ras? Zodat hij een loopse teef van hetzelfde ras zou kunnen bevruchten? Waarna er mooie puppies van zouden kunnen komen die veel geld op zouden kunnen brengen? Maar toen bleek dat hij gecastreerd was dat ze hem uit de auto hebben gedonderd? Dat kan.

Of is zijn baas overleden en wisten familieleden niet wat ze met hem aan moesten? Waarna ze hem uit de auto donderde, omdat ze niets met hem hebben? Dat kan.

Maar waarschijnlijk wel met een extra schop onder zijn kont. Dat kan ook.

Of heeft zijn eigen baas hem op transport gezet en daarna uit de auto gedonderd, omdat hij teveel geld ging kosten? Dat kan.

Maar dat hij mishandelt is, is zeker.

Al deze vragen hebben ons vier weken bezig gehouden. In die tussentijd zijn we natuurlijk wel voor hem gaan zorgen. Allereerst die jas van hem. Vol met distelklitten. En met vol bedoel ik heel erg vol. Geen plek onbedekt, één en al distel.

Na vijf dagen wegduiken en verstoppen had ik hem ineens bij zijn kladden. Hij gaf zich direct over. Ging op zijn rug met vier poten tegelijk ingetrokken. Een volledige overgave dus. En na ruim twee uur trekken en roskammen, terwijl haar kwijlend van genot op de veranda lag, had ik hem uit zijn jas geholpen. Misschien waren het wel drie winterjassen.

Op de voorgrond geen andere hond, maar het uitgekamde haar, inclusief alle distels, van meneer Brigi..

Het zogenaamde tot elkander komen vroeg om geduld. Dit laatste wel van mijn zijde. Steeds iets dichterbij en daarna weer snel wegduiken en verstoppen. Laat ik zeggen dat hij mijn geduld best wel op de proef stelde. Maar, zoals u al begrijpt, kan hij mij beter lezen dan ik hem.

Op de zevende dag, tja ik weet het het begint op een bijbels verhaal te lijken, lag hij heerlijk op zijn schuilplek in de zon de te slapen. Ik greep hem vliegensvlug in de nekvel en gespte zijn halsband om. Haakte de riem aan en probeerde hem mee te krijgen. Na veel tegenstribbelen en steeds weer zitten en/of liggen gaf hij zich over en liep aan de lijn met me mee. Ook nu toch ook weer in volle overgave, maar wel zonder kwijlen trouwens.

Sissi en Bence, heel nieuwsgierig hoe meneer Brigi daar toch gewoon lag te liggen.

Op de tiende dag werd het tijd voor een wandeling aan de riem. Kort, dicht bij mij, zodat hij mijn woorden zou kunnen begrijpen. Laat ik zeggen dat hij er niet al te enthousiast over was, maar het feit dat we gingen wandelen op de plek waar hij al dagen voor het hek naar uit zat te kijken, maakte hem best een beetje vrolijk. Deze wandeling herhaalden we een paar keer voor gewenning aan elkaar.

Op de twaalfde dag mocht hij dan eindelijk aan de lange lijn. Hij rende voor me uit, stond stil, keek achterom en wachtte tot ik weer bij hem was. Dit herhaalde zich de hele wandeling door. Dat gaf vertrouwen.

Aan de lange lijn, maar toch vrij genoeg. Geen getrek, alleen maar blijdschap.

En dan eindelijk, na twee weken hier te zijn aangeland kwam daar de grote spannende dag voor ons allemaal. Ik opende het hek, Sissi en Bence renden er als gewoonlijk doorheen. Hij keek naar mij, toen naar de vrijheid voor hem. Hij sprong met vier poten tegelijk, staartzwaaiend in de lucht. Hij keek weer naar mij en rende door het hek zo de wijde wereld in. Na drie meter stopte hij. Keek om en wachtte tot ik bij hem was. Hij herhaalde zijn staartwaaiende sprongen, rolde op zijn rug, liet zijn buik zien, vier poten ingetrokken en nadat ik hem geaaid had rende hij zo blij zoals ik een hond nog nooit blij had gezien.

Hij was blij, hij was vrij. Meneer Brigi tijdens zijn eerste vrije uitloop.

Wij kregen het gevoel dat we aardig wat terrein begonnen te winnen. Natuurlijk, hij is nog steeds schichtig en voorzichtig. Nog steeds bang voor mannen. Hoewel hij zich soms zelfs bij Hans aanbiedt voor een knuffel. Maar niet te lang en ook vooral niet te dichtbij.

Meneer Brigi, met Hans. Samen neus aan neus. Hij was zeker lief, maar zeker niet zeker.

Helaas, we moesten nu op zoek naar zijn verleden. We wilden weten of hij een chip had, dat zou het zoeken makkelijker maken. Maar toen hoorde ik dan ineens weer een verhaal van een vrouw die een totaal verwaarloosde hond van de weg oppikte en de reactie had van een hond die uit de auto was gedonderd, ermee naar de dierenarts ging, zijn chip liet uitlezen waar de naam en het telefoonnummer van de eigenaar op te lezen waren. Die eigenaar werd gebeld en wilde zijn hond héél erg graag terug. Een week later vond die vrouw diezelfde hond op diezelfde plek. Ze heeft hem meegenomen en hem nog een paar mooie laatste jaren gegeven. Zijn chip heeft ze nooit meer uit laten lezen.

Naar aanleiding van dit verhaal wilden we het voorzichtig aan doen. Alles met zekerheid weten voordat we Brigi terug zouden gaan brengen waar hij vandaan kwam. Als Brigi als vermist opgegeven zou zijn, zou het betekenen dat wij de hond gestolen zouden hebben.

7 oktober is Brigi 17 dagen bij ons. Vriendin brengt een geleende chip-scanner mee. Vakkundig haalt ze de scanner langs zijn voorkant. Scanner piept. Scanner geeft een getal van veel cijfers. Vriendin stuurt het getal door naar een vriendin. De vriendin van de vriendin stuurt het door naar de dierenarts. De dierenarts wil helpen, maar zegt wel: als alle gegevens kloppen, dan moet de hond terug naar zijn eigenaar. Mits die hem terug wil.

8 oktober. De eerste gegevens komen door. Brigi is negen jaar. Draagt een naam die ik hier niet ga noemen, omdat die te belachelijk is. En een belangrijk detail: hij is niet als vermist opgegeven.

We horen een tijdje niets. De spanningen stijgen.

Afgelopen donderdag komt het nieuws van zijn adres. Ik bekijk de plek op google maps en zie daar een pracht van een bosrijke omgeving. Ik voel iets borrelen. Als dit werkelijk zijn thuis is en de eigenaar zou hem terug willen, dan moet hij ook echt terug. Ik denk dat ik het wel dertig keer herhaald heb. Waarschijnlijk om mijzelf te overtuigen dat het vele malen beter voor Brigi zou zijn. Zo prachtig.

De vriendin van de vriendin woont niet al te ver van deze prachtige plek. Zij zal op zoek gaan naar de eigenaar. Pfff….

Ze vindt de plek. Maar vindt geen eigenaar. De mensen die er nu wonen, wonen er pas een week. De mensen die er daarvoor woonden hadden geen hond.

Onze vriendin belt ons met het feestelijke nieuws. We zijn blij.

Dierenarts laat weten dat er toch nog een telefoonnummer van de eigenaar is, dat telefoonnummer is hij verplicht te bellen.

De dierenarts belt het nummer. Het nummer bestaat niet meer. Het nummer is buiten gebruik.

Op vrijdag 18 oktober, vier weken nadat wij Brigi gevonden hebben, heeft Brigi een nieuw huis. Helemaal van hem, samen met katten, kippen en twee andere honden. Hij mag blijven. De dierenarts zet de chip over op onze naam en zijn nieuwe naam. Brigi-Kortleven-Molenkamp.

Onze grote dank gaat naar onze vriendin, de vriendin van onze vriendin en de dierenarts van deze vriendin. Zonder deze mensen hadden wij dit nooit kunnen doen. Het lijkt de oscar uitreiking wel.

De discussie is gestopt. Het doemdenken is voorbij.

Meeting Brigi.

Zijn roepnaam roept nog wel wat discussies op, maar is bepaald op het moment van de gebeurtenis.

De gebeurtenis vond plaats op 19 september 2024. Aan het einde van de middag tot vroeg in de avond. Eigenlijk ging het snel en zonder nadenken. Het ging vanuit het gevoel van onrechtaardigheid.

Eerst was er een vraag van vriendin Brigitta. Of Bence thuis was. Ik keek naar buiten zag Bence rondhobbelen in de tuin. Dus ja, die was thuis. Verder had ik eigenlijk geen vraag op deze vraag, alleen een antwoord. Maar bij Hans, die meer op de hoogte is van sociale media, viel het kwartje. Er loopt een bordercollie rond in het volgende dorp. Misschien verdwaald of zo. En dat was het dan voor dat moment.

Toen was daar het telefoongesprek, een paar dagen later, met Mimi. Het zou moeten gaan over een nieuw te plaatsen dakraam, maar daarbij had ze nog een prangende vraag. Of wij als bordercollie liefhebbers even bij dat loslopende beestje konden gaan kijken. Haar twee kinderen waren niet stil te krijgen door het grote verdriet van zo’n loslopende hond die bij hen al dagen voor de poort stond. Natuurlijk, ze zou hem met liefde binnen willen halen, maar haar eigen honden reageerden zo agressief op deze vreemdeling dat ze geen mogelijkheid zag het beestje binnen te halen. Maar de kinderen verweten hun moeder van alles en wilden zelfs niet meer gaan slapen. Hij zou verhongeren en dood gaan. Lijkt mij een mooie opvoeding als kinderen dat durven voelen en zeggen.

Ik riep Hans en legde halsband en riem klaar. Nee, nee, niet voor Hans, maar voor het geval de hond gevangen zou kunnen worden. We reden ons dorp uit, daarna de hoek om en daar lag de hond. Toen onze auto tot stilstand kwam sprong hij op, nieuwsgierig met de staart omhoog. Daarna weer de staart omlaag en plofte weer neer in het gras. Achter de auto vonden wij bakjes voor voer en water. Er zijn dus mensen die hem in de gaten houden.

We stapten op hem af. Nou ja, bijna geknield, om onszelf kleiner te maken. De hond stond op, maakte een rondtrekkende beweging en stak de weg over. Wij staken ook de weg over. Hij weer terug naar de overkant, wij ook weer terug naar de overkant. Zacht pratend op absurd aardige toon. Sommige honden zijn daar gevoelig voor. Deze duidelijk niet.

Een snelle blik op de hond liet zien dat hij ontstoken ogen had, een vacht vol klittenbollen en een schuin hangend oor, dat op oormijt wijst. Ja, ja, na 18 jaar honden doet een mens best wel wat kennis op. Er stopte een auto. De hond stond weer rechtop, maar liet zich weer in het gras zakken. Een ontzettend aardige vrouw vroeg of ze ons ergens mee kon helpen. Daarna nog een vrouw. En nog een vrouw. En toen een meisje, ik schat een jaar of 13. Allemaal kende ze deze hond die zich niet liet vangen. De schaaltjes voor eten en drinken waren van moeder en dochter, die elke dag die schaaltjes opnieuw vulden.

Na veel heen en weer lopen en steeds weer die weg oversteken, waar steeds weer auto’s in de remmen moesten, kwamen we tot de slotsom dat het meisje de hond zou benaderen. Ik gaf haar de halsband en de riem. De hond reageerde positief op haar en langzaamaan kwamen ze dichter bij elkaar. De hond lag plat voor haar, ze greep de hond in de nekvel en met een razend snelle beweging legde ze de halsband om de nek. En toen, klik, de riem eraan vast. We waren het met elkaar eens dat deze hond voor 99% zeker uit de auto was gezet. Het gedrag van blijven wachten en reageren op stoppende auto’s is daar een (niet zo mooi) voorbeeld van.

Brigi en Brigi.

Het publiek, dat intussen uitgegroeid was tot twaalf, stroomde toe. Een man begon de hond te knuffelen. Vast in zijn armen en al zoenend. Nu had ik daar even mijn bedenkingen bij, want ik zag daar toch echt vlooien lopen op die kop. Hans wilde de hond graag checken op geslacht, wat voorwaar niet makkelijk was. Met zijn handen de buik van de hond bevoelend, terwijl de hond tegenstribbelde van zoveel intimiteit. Hij was er niet echt van gediend. Een meisje, het is een meisje riep Hans. En terwijl wij daar stonden, glimmend van geluk dat het allemaal goed gekomen was, vroeg ik aan het meisje wat haar naam was. Brigi zei ze. En zo werd de hond opnieuw gedoopt en haar roepnaam werd Brigi.

Achterin de auto, met geen idee wat zijn toekomst zal zijn.

Eenmaal thuis, het begon al wat te schemeren, was daar de eerste kennismaking met de honden, Sissi en Bence. Dit soort kennismakingen gaan niet altijd gepaard met veel etiketten. Het is snuffelen, grommen, een beetje de lip optrekken en soms wat geblaf. Brigi liet het gelaten over zich heen komen. Wij maakten gelijk van de gelegenheid gebruik om haar ogen te druppelen en een pipet tegen het rondwandelende insectenparadijs in haar vacht leeg te spuiten. Toen vond ze het wel genoeg. Rukte zich los en nam de tijd om haar nieuwe omgeving te besnuffelen. Bij die rondgang viel iets op. Hoe plast een meisjeshond? Nou ja, zittend met één achterpoot schuin omhoog, de staart net boven het gras. Maar deze Brigi plaste toch echt anders. Fier staand, staart omhoog met één achterpoot helemaal omhoog. Brigi bleek toch een “hij”.

Toen ontstond natuurlijk de discussie over de naam. Nu weet een hond natuurlijk helemaal niet of hij een meisjes- of jongensnaam heeft, dat weten alleen mensen. Hans noemde hem Nélis, maar ik vond en vind de belofte aan het aardige meisje veel belangrijker. Dus het blijft Brigi, ook al is het een man.

Het gaat nog wel even duren voordat deze hond helemaal ingedaald is in het leven rondom ons huis. Met kippen in de vrije uitloop, maar dan ook echt heel vrij, twee poezen, ook in de vrije uitloop en ook heel vrij en twee honden met ieder een totaal eigen karakter.

En nu, een paar dagen later, doet hij het heel goed. Alleen zijn argwaan moet nog een beetje wegebben. En als dat eenmaal zo is en hij laat zich pakken, pas dan, ja, pas dan kunnen we hem wassen en knippen. Hem naar de dierenarts brengen voor een gezondheidscheck en misschien nog een kleine ingreep. We zijn er nog niet achter of hij gecastreerd is. Maar tot die tijd zal hij moeten blijven rondwandelen als een stinkende zwerver.

Wij verwachten dat hier een heel mooie lieve schattige hond onder zit. Maar geduld is in dezen natuurlijk een schone zaak.

Taal is een wonder.

Ik ga het niet hebben over het weer. Nou ja, heel even dan, maar dan moet het wel klaar zijn.

De laatste drie maanden was het godsliederlijk, ontiegelijk, afschuwelijk, schroeiend, loeiend heet. Zo heet, dat de moestuin grotendeels mislukt is. Zo, hebben we dat onderwerp ook gelijk gehad. Zo heet, dat bomen spontaan dood gingen of op zijn minst half juli al in de herfst stand gingen. Bladloos het einde van de zomer tegemoet. Zo heet, dat bloemen spontaan verschroeiden, ook al stonden ze in de schaduw en ook al kregen ze elke dag water. Zo heet, dat kippen als het ware gekookt werden in hun nachthok, maar dat kon voorkomen worden door het nachthok op een kier te zetten, ondanks het gevaar van een één of ander wildebeest dat zomaar naar binnen had kunnen glippen. Maar beter nog dan gekookt worden in je eigen verenpak. Zij hebben het overleefd. Wij gelukkig ook.

En dat is maar goed ook. Zoals ik al schreef bevonden wij ons op 11 juli van dit jaar in Budapest. En wel bij de Nederlandse ambassade om een nieuw paspoort aan te vragen. Hoewel mijn paspoort pas op 28 augustus verliep, wilde ik er graag op tijd bij zijn, omdat de wachttijden nogal eens op kunnen lopen. De verstrijkdatum van mijn paspoort is gekoppeld aan de verstrijkdatum van mijn Hongaarse ziektekostenverzekering. Dus 48 dagen leek mij voor een nieuw paspoort een ruime tijd. Wel kreeg ik een zogenaamd “volgnummer” mee waarmee ik kon achterhalen waar mijn paspoort zich bevond.

Zo rond half augustus begon ik hem toch wel een beetje te knijpen. Bij het intikken van mijn volgnummer hoorde ik steevast hetzelfde: uw paspoort is in behandeling. Dan moet ik wel zeggen dat zo’n volgnummer eigenlijk niet zoveel zin heeft. Of eigenlijk helemaal geen zin heeft. Maar op vrijdag 23 augustus kwam het verlossende antwoord van de ambassade. Mijn paspoort was daar en zou zo snel mogelijk worden opgestuurd. Ik berekende snel hoe dat zat met de data. Als zij het paspoort maandag de 26e zouden opsturen zou het de 27e met de post worden gebracht. Precies op tijd. Maar op de 28e was het nog niet binnen. Dan maar weer even een email versturen. Inderdaad, het paspoort lag daar nog in de la en zou de volgende dag op de post gaan en inderdaad vrijdag 30 augustus bracht de postbode een envelop met het paspoort. Om 11.45 uur. Op vrijdag sluit het ziektekostenverzekeringskantoor om 12.00 uur. En Pécs is langer dan een kwartier rijden, reken dan ook nog het zoeken van een parkeerplaats erbij en je komt een half uur te laat.

Op maandag 2 september om 09.00 stonden we voor de deur en mijn ziektekostenverzekering was ondertussen 8 dagen verlopen. Bedenk in deze periode van het jaar wat je allemaal zou kunnen overkomen. Een zonnesteek bijvoorbeeld. Of een wespensteek of erger nog de steek van een hoornaar. Of je struikelt over een tuinslang die al weken in de aanslag ligt om elke dag water te geven. Je verliest je evenwicht en breekt een arm. Dan heb ik het nog niet eens over een simpele zomergriep die je zomaar zou kunnen overkomen. Geen dokter die je helpt, je bent niet verzekerd. Maar gelukkig overkwam mij al deze rampspoed niet. Ik bleef gezond, kreeg geen steek van de zon of anders en viel niet over een tuinslang en ik brak al helemaal mijn arm niet.

We kwamen dus het ziektekostenverzekeringskantoor binnen en daar trof ik weer de dame die ik al jaren daar heb getroffen. Het viel mij de laatste keer op dat er zweetdruppels op haar bovenlip zaten. Maar dat zou ook aan de warmte hebben kunnen liggen. Het was vorig jaar toen Hans en ik wat vragen hadden over verloop data. In ieder geval is haar houding altijd vijandelijk en geeft ze je altijd het gevoel van “domme buitenlander”. Terwijl ik haar netjes in het Hongaars aanspreek. Vreemd genoeg staat er bij binnenkomst in dit kantoor een man die een bonnetje voor je trekt. Hij vraagt dan: Engels? Ja, dat is fijn. Doe maar Engels. En toch komen we steeds bij deze dame in kwestie terecht die geen woord anders spreekt dan Hongaars. Maar ik had een verrassing voor haar.

In de jaren dat ik niet op dit verzekeringskantoor kwam werkte ik ondertussen wel heel hard aan de taal. Een superlieve, mooie, geduldige juf, genaamd Timi die mij al jaren onderricht geeft in het Hongaars. Soms lijkt het, in mijn geval, trekken aan een dood paard, maar tegelijk kan zij het vuur voor de taal erin houden. Met andere woorden: ik leer heel erg veel van mijn juf. En wat fijner om al het geleerde in de praktijk te brengen bij een vrouw die buitenlanders niet zo hoog heeft zitten en haar minachting altijd laat voelen.

Daar zat ze dus. Met een gezicht als dat van Marjolein Faber, minister van asiel en migratie. Dat is ze niet, maar het zijn wel diezelfde harde chagrijnige trekken. Toen Hans ook nog binnen kwam lopen werd het nog erger. Maar…. ik was vrolijk. Begroette haar in het vloeiend Hongaars, wenste haar een goedemorgen en vertelde haar waarvoor ik kwam. Ze ging achterin haar stoel zitten, rechtop. Ik legde mijn paspoort neer en overhandigde haar mijn verlopen verzekeringsvelletje (want meer is het niet, een velletje, maar dat moet wel tien jaar leesbaar blijven). Ze vroeg om nog meer papieren, ik verwees haar netjes naar mijn paspoort waar alle benodigde paperassen inzaten. Ze ontdooide. Voor het eerst in 17,5 jaar ontdooide ze. (Ja, Marlou, echt waar!!) Ze blijkt zelfs een heel aardige lach te hebben, ook al ziet dat er best wel een beetje pijnlijk uit. Het viel mij binnen hoe machtig taal eigenlijk is. Hoe machtig het ook voelt als je het spreekt, waardoor alle vooroordelen ineens lijken te verdwijnen. Ze vulde het benodigde formulier in dat ik later moest ondertekenen. “Het is klaar zei ze. Dit is alles”. Oh gelukkig, riep ik, En nu ben ik verzekerd? Nee, dat was ik nog niet. Pas als de post het velletje zou overhandigen, dan pas was ik weer verzekerd. Het kon wel tot twee weken oplopen. Maar ze zou proberen of het met een week zou kunnen lukken. Kijk, win je eerst een glimlach en dan win je daarna ook nog een week wachttijd. Taal is een wonder!

Afgelopen dinsdag, een week na ons bezoek aan Pécs bracht de postbode een envelop met daarin het velletje. Ik kan weer opgelucht ademhalen. Want daarvan bleek dat ik die de laatste (onverzekerde) tijd toch best wel had ingehouden.

Binnen zonder kloppen

Een mooie titel voor een mooi popliedje. Romantisch en ook zielig vooral. Maar van romantiek was er in ons geval geen sprake. Van zielig wel een beetje.

Op die zwoele zaterdagavond, na een geselend hete dag, lekker op tijd naar bed. Zondagmorgen weer vroeg uit de veren. Om de zon voor te zijn.

Nou, dat hadden we gedacht. Om 0.15 werden we gewekt. Niet liefdevol, maar met een knal als een bominslag en daarna glasgerinkel.

Het is vreemd om zo wakker te worden. Je bewustzijn is nog in slaap, maar het lichaam richt zich op. Het eerst wat je gebruikt zijn je oren. Hoorden wij dit goed? En die vraag stel je dan ook aan elkaar: hoorde jij dat ook?

Dan schiet de slaapkamerdeur open. Twee bibberende honden aan het bed. Hoe komen die nou binnen? Die hadden we toch buiten gesloten? Dan stemmen buiten. Harde stemmen. Het lijkt op een heftige ruzie. Hans springt uit bed. Ik kwam ook uit bed, maar zo midden in de nacht ben ik een trage versie van mezelf. Op de trap hoor ik Hans brullen. Kom nu eens kijken! De deur ligt in de keuken! Ik herhaal diezelfde woorden maar dan met een vraagteken.

Inderdaad lag de deur in de keuken en de vloer bezaaid met glas en nu snapte ik ook hoe de honden binnen waren gekomen. De luide stemmen waren nu nog luider. Ik zag Hans nog net de opening doorlopen waar ooit die deur had gezeten, met in zijn hand het grootste keukenmes. Nu is dat best een vreemd gezicht je blote geliefde gewapend met een mes uit het oog te verliezen. Laat ik zeggen dat het niet echt senang voelde. Maar hij keerde snel weer terug door diezelfde opening en hing het mes weer terug. Terwijl ik daar nog steeds een beetje verdwaasd tussen de chaos stond. Was er iemand buiten? Was er iemand in de tuin?

Ik belde de politie. Een zachte vrouwenstem die mij vragen stelde. Ondanks haar zachte stem schreeuwde ik haar toe dat de politie moest komen. Dat ik heel erg bang was. Nou ja, eigenlijk niet helemaal voor rede vatbaar zeg maar. Op haar vraag of er nog iemand in huis was schreeuwde ik haar toe dat dit zo was. Mijn man! Of zij die dan mocht spreken. Iets rustiger vertelde ik dat hij haar niet zou kunnen verstaan. Ik zag zijn hoorapparaten nog op de oplader liggen. Ik gaf naam adres en ze zouden zo spoedig mogelijk komen. Na een kwartier, want je wordt best ongeduldig als je in onzekerheid leeft, belde ik weer. Ze waren onderweg.

Hans had zich ondertussen aangekleed en verdween. Op straat was het ondertussen rustiger er klonken alleen gedempte stemmen. Ik begon het glas weg te vegen om een weg te maken naar buiten. Om de plaats van het delict niet al teveel te veranderen liet ik de rest van het glas liggen. De politie verscheen na ruim drie kwartier.

Nu liep ik nog steeds rond in onderbroek en hemdje en had er niet aan gedacht mijn haar even snel op zolder te binden. Daar verscheen de agent in de opening en keek de keuken in. Tja, hij vond het ook wel heel vreemd dat die deur daar ineens maar zo lag. Hij vroeg mijn Hongaarse inwoners kaartje (waar naam en adres op staan vermeld) en vroeg of ik hier woonde. Dan gaan de hersenen toch raar werken. Ik besefte dat ik daar in onderbroek en hemd en een lange bos herrie op mijn hoofd, die nog niet gekamd was, er wel wat verwilderd uitzag, maar dat hij daardoor het adres niet kon lezen vond ik vreemd. Ik wees op het kaartje en of hij het nog eens wilde lezen. Hij knikte en verdween.

Dan toch maar eerst even mijn haar op zolder en wat fatsoenlijke kleding aan. Hans keerde terug, samen met de agent. Hij stond klaar met pen en aantekeningenboekje. Of ik wist wat een nieuwe deur koste. Weet jij wat een nieuwe deur kost? Vroeg ik hem. Nou nee, dat wist hij ook niet en of dan toch maar een schatting wilde maken. Ik gaf een prijs op waar je waarschijnlijk wel twee deuren voor kunt kopen en misschien nog een rolluik ervoor met extra slot. Maar dat wist ik toen natuurlijk ook niet.

De dader zat op het trapje bij de buren. Een jonge, redelijk gespierde vent van een jaar of dertig. Timide. Pleister op zijn knie, glaasje water in de hand. Daar had de buurvrouw voor gezorgd. Terwijl ik mijn woede bijna niet de baas kon, spraken zij met hem. Rustig en vragend. Hans, de buren, de politieman en politievrouw. Ja, dan ga je iemand ook niet op de bek rammen. Hoewel ik nog nooit iemand heb geslagen, zou ik natuurlijk ook niet weten hoe dit uit zou pakken.

Nee, hij had niet gedronken. Hij had niets geslikt. Was ineens bang geworden en weggerend van het feest dat gaande was in het dorp. Had drie honderd meter gelopen, het hek van Eszti verrot getrapt, het rolluik voor de deur van de overburen gerampokt, een ruitje uit de voordeur van de buren getikt en had vervolgens onze voordeur eruit geramd. Hij wist het allemaal niet. En ook niet hoe hij in het zwembad van de buren terecht was gekomen. Ook niet waarom de buurman hem een knal voor zijn kop had verkocht. Alleen wist hij nog wel van het stroomdraad.

We hebben nieuwe buren aan de andere kant van ons huis. Schapen en geiten. En aangezien die beesten nogal eens uit willen breken, staat er geen hek maar zijn daar stroomdraden gespannen. Schrikdraad is er een goed Nederlands woord voor.

Ik vroeg hem of het pijn had gedaan, dat stroomdraad. Hij knikte een beetje zielig. Ik grijnsde: dat is dan een heel goed draad. Hij vond het minder leuk, maar ik voelde mezelf ineens wel heel erg grappig.

Ze verdwenen, de dader en de agenten. Zonder dwang stapte hij in de politieauto. Ons achterlatend in het ongewisse wanneer de recherche zou komen. We moesten wachten en alles laten zoals het was tot er onderzoek gedaan was.

Hans had ondertussen een plaat hout uit de garage gehaald en die op maat gezaagd en tegen de deurresten geschroefd. We keken elkaar aan, het was drie uur in de nacht. Die recherche kon ons wat, we gingen naar bed.

Tja, binnen zonder kloppen, het kost je je nachtrust, het kost je een houtplaat en het kost je dagen stofzuigen tot er geen glas meer te vinden is. Het geeft stress, het geeft onrust. Hoewel de titel van dit blog eigenlijk niet helemaal klopt, want binnen is hij niet geweest en of hij geklopt heeft, dat weten we niet want we sliepen. Maar ik neem aan dat dit niet het geval is geweest. Met een gestrekt been is het moeilijk kloppen.

De recherche kwam de volgende dag om 11 uur in de ochtend. Toen de meeste zooi al was opgeruimd. Gelukkig hadden we de foto’s nog.

Wespen telling.

Ik las vandaag in de Volkskrant dat er in Nederland is begonnen met het tellen van wespen. Negen dagen lang. Het is maar een half uur tot een uur per dag. De wesp schijnt, net als de bij, in steeds mindere aantallen voor te komen in Nederland.

Ook wil de Wespenstichting het imago van de wesp een beetje oppimpen. Dus niet de valse vanuit het niets om zich heen stekende etterbak. Maar de prachtige nesten bouwende, nuttige, luizenetende bloemen bestuiver. En nog veel meer nuttigs, maar daar kan ik nu even niet opkomen.

Nu treft het dat ik vandaag precies 28 jaar geleden opgestaan ben uit een wezenloos coma. Voor dat coma was slechts één steek nodig van één wesp. Hij prikte en een minuut later was het met me gedaan. Details daarover heb ik wel vaker beschreven en als u nieuwsgierig bent kunt u daar natuurlijk altijd naar vragen.

Ik was in bed. En de wesp ook. Ik had hem niet opgemerkt, maar in mijn slaap prikte hij in mijn been. Ik vermoed dat hij klem zat en toen maar zijn enige afweermechanisme gebruikte. Zijn angel met gif. De wesp wist natuurlijk niet dat ik hyper allergisch was. Ik wist dat zelf ook niet. Zelden, misschien twee of drie keer in mijn leven daarvoor, was ik door een wesp geprikt. De wesp was die keren ook in een benarde situatie. Hij vloog bijvoorbeeld in de mouw van mijn jas. Of die keer dat hij vast zat op mijn veelkleurige panty met zijn harige poten en juist omdat hij niet los kon komen, prikte hij mij. Het enige wat ik me daar dan wel van kan herinneren is dat het leek of er een brandende sigaar op mijn huid werd uitgedrukt. Toch kan ook deze uitdrukking niet helemaal de lading dekken, omdat er nog nooit een brandende sigaar op mijn huid is uitgedrukt. Wat wel de lading dekt is dat het aangeeft hoe gruwelijk zeer het bij mij deed.

Gelukkig door snel handelen van Hans en twee mensen van de ambulance kwam ik na een paar uur weer bij en daarom kan ik, nu 28 jaar later, deze blog schrijven. Als ik alleen was geweest, tja dan zou deze blog nooit tot stand zijn gekomen. Het is soms ook een kwestie van geluk.

Hier hebben we veel wespennesten. Ik weet er heel wat te zitten en ben dan ook altijd alert. Rond deze tijd worden ze wat lastiger, omdat ze veel op zoet af komen. Wat ik dan wel weer een grappig detail vond was de beschrijving die ik kreeg van de allergoloog, waar ik tien jaar onder behandeling ben geweest. Op het velletje papier stonden wat voorbeelden, zoals: zoveel mogelijk uit de buurt blijven van wespennesten. Oppassen bij vuilnisbakken. Voorzichtig bij struiken. Limonade of andere zoeten dranken altijd uit een glas drinken, nooit uit een blikje. Alcoholische versnaperingen vallen daar ook onder. Draag geen parfum tijdens de wespentijd. Draag geen bloemenjurkjes tijdens de wespentijd. Draag in wespentijd altijd je epi-pen bij je.

Die zinnen op dat velletje papier zitten natuurlijk nog steeds in mijn hoofd. Alleen dat bloemenjurkjes voorschrift lap ik al jaren aan mijn laars. Een mens moet soms gewoon risico durven nemen, niet waar?

Bestrijden wij nu al die wespennesten? Nou nee, niet allemaal. Behalve als ze in de aanval gaan. Dat ze vinden dat het hun dak is waarop jij zojuist water voor de vogels hebt bijgevuld. (Dit overkwam Hans een paar weken geleden en als hij niet zo snel uit de buurt was geweest, dan was het zeker niet bij die ene steek gebleven. Woest waren ze.) Of dat ze vinden dat het hun moestuin is en zeker niet die van jou. Ze gebruiken de watertoren als huisvesting en aangezien het hier de laatste maanden nogal dorstig planten weer is, moet ik daar toch wel dagelijks zijn. Maar ik ben zeker nog niet aangevallen. Als dat wel het geval is? Dan weet ik waar hun huis woont.

Of ik hier in Hongarije mee ga doen aan de wespen telling, weet ik nog niet. Het zou zomaar een dagtaak kunnen worden. Wat ik wel weet is dat de champagne nu koud ligt te worden in de koelkast. Een lekkere droge koude champagne en dat op een warme zomerdag in augustus. Nee, we zullen niet uit de fles drinken maar gewoon uit een glas.