Het kan allemaal best verwarrend zijn.

Het was eigenlijk best een vreemde conversatie. Vooral omdat de dermatoloog de plek in zijn lies zittend onderzocht, waardoor Hans met afgezakte broek stond en hij de dermatoloog de vraag stelde: “hoe ben je in deze rolstoel terecht gekomen?” “Dat is te privé” zei de dermatoloog en richtte zijn ogen weer op Hans’ blote lies.

De dermatoloog dacht aan een huidschimmel, schreef een recept uit voor een maand, dan zou het wel over zijn. Na die maand was het niet over en opnieuw was daar die ontmoeting. De dermatoloog keek er nog eens naar en kwam tot de conclusie dat het of psoriasis of een tumor moest zijn en stelde voor een stuk uit de huid van de lies te snijden, voor een verdergaand onderzoek.

Op 31 oktober 2024 stond de chirurg al klaar met zijn vlijmscherpe operatiemesje. Hij sneed het stuk eruit en naaide de huid weer dicht. Natuurlijk niet vooraleer de plek plaatselijk te verdoven. Zijn assistente ving het lapje vlees op in een potje waar al de gegevens al waren opgeplakt. Potje dicht, envelopje dicht en klaar voor verzending. “Twee weken, hooguit drie weken, dan is de uitslag er.”

Na twee weken was er geen uitslag. Na drie weken ook niet. En na vier weken nog niet. Je zou er uitslag van krijgen. Maar dat kregen wij niet. Ik belde de chirurg, die er niet was. Ik schreef een email aan zijn lieftallige assistente. Die schreef wel terug, maar had geen antwoord. Hans moest voor andere zaken bij de huisarts zijn en wij vroegen hem in de computer te kijken. Geen uitslag. Ondertussen was week vijf al voorbij. Weer belde ik de chirurg, die er nu wel was, maar die kon geen uitslag geven. En dan eindelijk ergens na 7 december was daar de uitslag in de computer. Niet thuis gestuurd, zoals beloofd was, maar in de computer waar alleen artsen bij kunnen. De huisarts las het door en kwam tot de conclusie dat er eigenlijk niets gevonden was waar naar gezocht werd. Met andere woorden: niets aan de hand. Hij gaf een print van de uitslag mee.

Hongaars is een moeilijke taal, maar godallemachtig met die artsentermen is er helemaal niet doorheen te komen. En dan is google vertalen toch altijd wel eentje om je helemaal scheel te lachen. We moesten weer denken aan de ct-scan die van Hans in 2010 werd gemaakt. De uitslag in google vertalen was dat Hans zwervende sterren rond zijn prostaat had, een zwembad in zijn blaas had en een vliegtuig in zijn lever. Tja, het kan verkeren. Maar wat er nu toch allemaal uitrolde! Ten eerste las ik in de vertaling dat zijn moeder nooit zijn moeder kan zijn, dat er een laurierblad uit zijn huid gesneden was en daarnaast waren er weefseltekenen in de lederhuid. En daaronder kwam de diagnose. “Een vreselijke diagnose” stond er te lezen. Maar veel vreselijks kon ik er eigenlijk niet uithalen. Net zoals de huisarts.

Nu er niets aan de hand was maar die plek nog steeds diezelfde plek bleef, hoewel minder pijnlijk, besloot Hans om de dermatoloog nog één keer te bezoeken om te bezien hoe hij nu toch van deze rare plek in zijn lies af zou kunnen komen. Half januari van dit jaar had hij een afspraak. De broek mocht aanblijven, wel had de dermatoloog een mededeling. “Je hebt huidkanker” klonk het nogal bot. Dan worden de gesprekken vreemd. Over een uitslag die er al was en over uitslag die daar nog een keer overheen was gekomen. Op 7 december was er niets en op 9 januari kwam er uit hetzelfde onderzoek dat er wel iets zat. Huidkanker dus.

Maar hoe dan? Hoe kom je achter je eigen uitslagen als helemaal niemand jou een bericht geeft dat er uitslagen zijn? Hoe kom je erachter dat er na die 7e december nog een andere uitslag is gekomen? Het staat in de zogenaamde “cloud”. Dat is fijn, omdat elke arts die kan inzien. Maar niemand die even de telefoon pakt of een printer aanzet om het even uit te printen en op te sturen. Met andere woorden: als Hans geen afspraak had gemaakt met de dermatoloog was hij er nooit achter gekomen. Of veel later als een nieuwsgierige arts weer even zijn status wil doornemen.

De dermatoloog gaf Hans papieren mee voor een chirurg. De verwijzing ging naar privéklinieken en zelfs naar een plastisch chirurg. Maar toch had Hans redenen om te twijfelen en daarin overtuigde hij mij redelijk. Dan maar terug naar de eerste chirurg. Maar niet voordat ik de vertaling door google vertalen liet doen.

Oké Hans’ moeder was zijn moeder weer, dat is fijn. En onderaan stond dat je niet een advocaat in moet schakelen maar je eigen arts. Tja, die zin ga ik nu wel snappen. Maar die staat er eigenlijk niet.

Hans overhandigde de chirurg de twee verschillende uitslagen. Die trok zijn wenkbrauwen op. Gaf de papieren aan zijn assistente met de woorden “als jij dit snapt?” Welnu, zij snapte het ook niet. Hij wilde de plek opnieuw bekijken en daar ging die broek weer omlaag. Hij was tevreden, omdat het er allemaal mooier uitzag, Dat kan kloppen want het wordt heel goed en secuur verzorgd. Hij keek goed, heel goed en sprak vervolgens “ik ben geen dermatoloog, maar ik ben wel al 40 jaar chirurg. Dit is geen kanker”. Ik kan je wel een verwijzing geven naar een huidkliniek in Pécs, mits je twijfel hebt. Hans vroeg: “en als ik dat niet doe? Ben ik dan in gevaar?” Nee, zei hij, dan ben je niet in gevaar. En als je weer eens een vraag hebt, kom gerust bij me langs.

Tja, het kan inderdaad allemaal best verwarrend zijn.

Tandeloze tijger.

Als tiener werd ik ooit uitgescholden voor Mr. Ed, het sprekende paard. Nu moest die knul wel direct op de loop gaan, omdat mijn zus Tonnie dat niet pikte. Die sloeg er direct op los. Maar een beetje gelijk had die knul wel, want voor zo’n jong grietje had ik best wel grote tanden. En ze stonden ook best wel naar voren.

Later kwamen er regelmatig opmerkingen. Zo zijn mensen, die pijnigen en beledigen graag en spreken het zo uit alsof het mij zelf nog nooit was opgevallen. Maar ik vond een wapen. Als iemand begon over mijn (toch best wel grote) gebit, haalde ik mijn schouders op en sprak: kan zomaar zijn. Ik ben namelijk geboren als gebit en de rest is er later omheen gegroeid. Daar hadden ze dan weer niet van terug.

Jaren later, toen ik voor controle bij mijn tandarts kwam, vroeg ik hem wat de mogelijkheden waren om mijn voortanden toch iets meer naar achteren te krijgen. Hij was resoluut. Daar ging hij niet aan beginnen! Je tanden staan hartstikke recht. Het is je bovenkaak die juist wat groter is. Je hebt een prachtige overbeet. Als je die weg wilt hebben, moet er een stuk uit je kaak gezaagd worden en daarna ben je gewoon verminkt. Vanaf dat moment ben ik echt heel anders tegen mijn gebit aan gaan kijken. Zo’n tandarts was precies wat ik nodig had. Want daarna, als iemand nog weer eens een opmerking maakte, dacht ik alleen maar aan die drie woorden “een prachtige overbeet”. Kom jij daar maar eens mee.

Tot aan wij 18 jaar geleden naar Hongarije vertrokken kwam ik elk half jaar bij de tandarts. Vanaf mijn kindertijd tot aan mijn vijftigste levensjaar. In die jaren dat wij hier wonen ben ik erachter gekomen dat niemand voor controle naar de tandarts gaat. Pas als men last heeft komt de tandarts in beeld en dan is het meestal al te laat. Dat is ook één van de redenen dat hier ontzettend veel mensen met een gatenkaas rondlopen of helemaal geen tanden en kiezen meer hebben. En dat is tevens de reden, dat er in de wachtkamer bij de tandarts, zoveel kreunende mensen zitten. Ze hebben echt allemaal pijn. Nee, hier kan ik niet dezelfde grap maken als ik in Nederland deed. Ik kwam de wachtkamer binnen, die best wel vol zat. Toen ik ging zitten hoorde ik een drilboor bij de buren, die duidelijk met een verbouwing bezig waren. “Zo, de tandarts heeft er zin in vandaag” sprak ik en iedereen kromp een beetje ineen. En ik lachte mijn overbeet bloot.

Ik ben hier zeker naar de tandarts geweest, maar niet voor controle, daar doen ze niet aan (misschien tegenwoordig wel, dat kan. Maar dat deel heb ik opgegeven). En steeds als er iets mis is maak ik een afspraak. Opvallend is, dat alleen die tand of kies waar je last van hebt, wordt bekeken en behandeld. De rest niet. Dus niet met scherpe haken tussen je kiezen of zo’n gemene kleine luchtspuit, die kleine gaatjes in de grochten van je gebit tonen in de vorm van een ineens snerpende pijn. En de tandarts dan roept: aha, hier tonen zich verborgen gebreken! Niets van dit alles. Verborgen gebreken. Blijven verborgen gebreken.

En zo kon het dus gebeuren dat ik op 9 januari van dit jaar, dat nog maar net begonnen was, bij een nieuwe tandarts kwam waar ik heel goede dingen over had gehoord. Ik had al een weg achter de rug van aangeboden implantaten en bruggen. Die er nooit van gekomen zijn. Wel een plaatje, omdat er een voortand al heel lang tergend langzaam, steeds meer begon te zakken.

Ik kwam daar op 9 januari van dit jaar, omdat mijn brug, die er al minstens dertig jaar inzit, losgekomen was. En moet ik er eerlijkheidshalve ook wel bij vertellen dat ik de laatste jaren steeds meer last kreeg van mijn gebit. Maar goed, ik kwam voor de brug. Ze riep me binnen, de tandarts. Aardig, ontzettend aardig. Ze keek naar de brug. Ja, die zat los. En toen deed ze iets wat nog nooit een Hongaarse tandarts bij mij had gedaan. Ze ging mijn hele gebit controleren. Ze nam zelfs een scherpe haak ter hand. Toen schoof ze haar kruk iets naar achter en legde haar handen in haar schoot. Ze keek me aan met die grote blauwe ogen waarin medelijden te lezen was. Ze schoof haar mondkapje tot op haar kin, zodat haar tanden zichtbaar werden. Prachtige tanden. Haar mond bewoog, er kwamen woorden uit. En die woorden moest ik wel geloven. “Je hebt paradontitis. Al je tanden en kiezen zitten los. Alles moet getrokken worden. Nu zei het woord paradontitis mij wel iets, maar de echte betekenis had ik niet voor handen. “Ik kan je aanbieden om het langzaam aan te doen en alles te vervangen voor implantaten. Dat gaat je heel veel geld en heel veel tijd kosten. En over twee jaar vallen die er gewoon weer uit”.

Het is vreemd als je in zo’n stoel ligt bij een hele aardige tandarts, die het allerbeste met je voor heeft en voor binnenkomst geen idee had wat je toekomst zou zijn. Maar nu wist ik het wel. Zij is van snel handelen en gelukkig ben ik daar ook van. Nog voor alles een paar dagen later werd getrokken, heeft ze foto’s gemaakt van mijn gebit. De grootte van mijn tanden en vooral mijn overbeet heeft ze goed in beeld gebracht.

Over waarschijnlijk twee weken komt mijn nieuwe gebit. En ga ervan uit dat ik mijn eigen overbeet weer terug krijg. Ik zou niet weten wat ik zonder zou moeten.

Voor nu een tandeloze tijger. Maar wel een tijger. En ach, met tanden was ik ook al ongevaarlijk.

Goede voornemens.

Dat begon al goed. Ik was voornemens om een blog te schrijven vóór het nieuwe jaar. En inderdaad dat doe je dan op de rand van het oude jaar. Ik had ook driftig zitten schrijven maar de woorden die ik teruglas bevielen mij niet. Weg ermee dan maar. In de vuilnisbak. En weer keek ik tegen een lege pagina aan. En toen ik dan toch eindelijk het heilige vuur kreeg viel de stroom uit. Oudejaarsdag om 15.15 uur. Alles donker.

Gelukkig kwam een deel van de stroom, hoe vreemd dat ook klinkt, weer snel terug. Maar de keuken en Hans’ werkkamer bleven gehuld in het donker. Bij controle bleek de stroomstoring niet bij ons te zitten maar in het hele dorp en het was fase drie die de problemen bracht. Tja, dan ga je niet zitten schrijven natuurlijk. Ik had me trouwens ook al voorgenomen om minder snel hardgrondig te vloeken als ik ergens van schrik. Maar ook dat voornemen liet ik even varen toen het donker plotsklaps inviel.

Omdat de badkamer wel voorzien was van stroom, toog Hans naar de garage om allerhande snoeren te halen, om zodoende de wifi en zijn computer weer in werking te brengen. Op zich geen makkelijk karwei maar het lukte wel. Nu was de keuken ineens een gevaarlijke plek. Want donker en vol met snoeren op de vloer. Tegen de tijd dat alle stekkers opnieuw waren ingeplugd, kwam de stroom weer terug. Dat was drie uur later. Terwijl ik het koken eigenlijk al opgegeven had en bedacht dat we dan maar koude salade zouden gaan eten. Mijn voornemens waren om deze oudejaarsavond allerlei lekkere dingetjes te maken. Gelukkig bracht een stuk zalm uitkomst. Wel anders dan voorgenomen, maar toch.

En gisteren was dan zo’n echte nieuwjaarsdag. Ik had me voorgenomen iedereen persoonlijk te schrijven, in plaats van een algemene wens voor 2025. Maar door alle telefoongesprekken ontbrak mij de tijd om dat alsnog te doen.

Ook kwam ik er gisteren achter dat ik een echte hondenfluisteraar ben. Ik was bezig in de keuken met een kippenborst. Twee prachtige filets die dan voor één keer weer te veel zijn. Ik sneed de filets uit, deed er eentje in de vriezer en maakte van de botten en het vel een bouillon. De andere filet bleef achter op de plank op het aanrecht. Hans riep mij om mij iets te tonen, ik liet de keuken even voor wat hij was. Kwam niet veel later terug en zag een lege plank. “Waar is die kipfilet”? Bence legde zijn oren plat op de kop, sloeg zijn ogen neer en wilde in een soort tijgersluipgang de keuken verlaten. Dus ik stelde die vraag nog maar eens opnieuw: “Waar is die kipfilet”? Hij liep naar het aanrecht, legde zijn poten erop, keek naar de plank en weer die oren plat. Wat maar weer eens bewijst dat de hond en ik elkaar heel goed begrijpen. En hiermee tegelijk mijn voornemen om de keuken niet alleen te laten als er een hond in de buurt is.

En zo eindigde het oude jaar en is het nieuwe jaar alweer twee dagen oud. Bij deze dan maar onze wensen voor jullie hier uitgeschreven. WIJ WENSEN JOU EN DE JOUWEN EEN FANTASTISCH 2025 TOE. DAT HET MAAR EEN INSPIREREND, LIEFDEVOL, VRIENSCHAPSVOL, VREDEVOL, GELUKSVOL, GEZONDHEIDSVOL NOU JA VOL VAN GOEDE VOORNEMENS JAAR MAG WORDEN!!!

Kerststal? Een zwijnenstal.

Het leek alsof de wind alle lelijke kwelgeesten wilde verjagen. Dat zou toch mooi zijn in de nacht voor kerst. Dat de wind het verleden in één keer schoon zou vegen en er vandaag een heel nieuw begin zou zijn.

Maar het ging anders. Tien jonge krielkippen, geen kuikens meer maar ook nog niet volwassen. Hoewel ik er maar 4 wilde vond Hans ze alle tien te leuk. Ja, ik vond ze ook te leuk, alleen over de hoeveelheid maakte ik me zorgen. Maar soms wint iets wat “te leuk” is het van de zorgen.

Eerst maar alle tien overdag in het nachthok, tot de zon onder ging. Nog voor de zon onderging stonden de vier grote witte Duitse kippen met Bruno de haan, van Italiaanse afkomst, klaar om naar binnen te gaan. Ik opende de deurtjes, zodat ze vrije toegang hadden. De tien zaten op elkaar in de hoek. Ze traden binnen, die grote bonken en de haan. Er klonk gestamp, het schrille geluid van jonge kippen roepend om hun moeder. Daarna vlogen ze aan alle kanten het hok uit. Naar buiten. De avond in. Maar er was nog tijd, het echte donker was nog niet gevallen.

De tien jonge krielkippen liepen de trap op, naar de ingang van het hok. Daar zaten ze, vier grote witte Duitse kippen, in de deuropening. Breeduit, waardoor het duidelijk werd dat de tien met geen mogelijkheid naar binnen zouden komen. Ik liet het hok die nacht open om een mogelijkheid te bieden dat zij in de nacht een poging konden wagen.

Die poging deden ze niet. Die avond vond ik ze boven in de parasolboom. Dat is een boom waar je net onderdoor kunt lopen en waarvan de takken zich weids uitspreiden. Veilig, hoog genoeg boven de grond. En zo ging het een aantal dagen achter elkaar. Elke dag als de avond viel, werden ze allemaal, gelijk een western, het hok weer uitgeknikkerd.

Het regende hard, de wind trok aan. Het ging stormen en de regen geselde hun verenpak terwijl ze bijna zeeziek meebewogen op de harde wind, geklutste eieren in de maak, daar boven in die parasolboom. Althans dat zag ik in gedachten. Want toen ik gisterenavond Hans uitbundig lachend de voordeur hoorde open doen, zaten ze daar, beschermd tegen wind en regen. Op de tafel en de stoelen op de veranda. Het leek voorwaar dat zij hun eigen kerststal hadden gecreeerd. Het zag er zelfs romantisch uit.

Vanmorgen. Niks geen kerststal, maar een zwijnenstal. De hele veranda bezaaid met stapels kippenstront.

Nee geen soep. Ook geen bouillon. Wel zorgen dat ze in het nachthok komen. Ik heb er al zes gevangen. Nog vier te gaan.

Wij wensen jullie mooie, rustige kerstdagen. Misschien wel met een kip in de pan.

Ach, ze zijn al zó oud.

Het was ergens eind vorig jaar toen de kat van twee van onze vrienden overleed. Telkens als we elkaar ontmoetten kreeg ik weer iets in een mooie cadeauverpakking. Blikjes kattenvoer, druppeltje voor in de nek, een pakje droogvoer en een doosje met luxe zachte in jus klaargemaakte vlees of visbrokjes, verpakt in zakjes van circa 100 gram.

Nu aten onze katten, Zsazsa Gábor en haar dochter FeFe, eigenlijk altijd droogvoer uit een zak en nooit iets uit blik. Vreemd genoeg, als ik soms een blik gepelde tomaten opentrok, want dat doe je tegenwoordig niet meer met een blikopener of nou eigenlijk al heel lang niet meer, schreeuwden die katten het uit alsof ze van de honger zouden omkomen. En daarna werd het weer rustig en aten ze tevreden hun droge brokken op. Hoewel ze ook met droge brokken een enorme voorkeur hebben voor de duurste merken. En proberen we iets goedkopers, dan gaan ze gewoon in hongerstaking en miauwen ze net zo lang tot wij in een noodvaart naar de winkel rijden om dan toch maar de duurdere variant te gaan kopen.

Soms gaat dat zo met dieren. Ik moest ineens denken aan Pip. Wie deze hond gekend heeft weet dat hij een hele lieve slimme hond was en eigenlijk nooit een zeikerd met eten. Alles was goed genoeg voor hem. Tot wij op een onnozele dag een zak “eigen merk” van de supermarkt kochten. Jolene, onze duivelse teckel in kroket formaat, haalde direct haar neus er al voor op. Maar Pip viel zijn bak aan, zoals altijd, de hongerige wolf is bordercollie kleren. Hij nam een grote hap, keek mij aan en liet zijn bek openstaan, zodat alle hondenbrokken weer terugvielen in de voerbak. Zijn blik sprak boekdelen en ik las eruit: “als jij denkt dat ik dit ga eten, ben je bij de verkeerde hond”. En zo bleek. De voerbakken bleven onaangeroerd, zelfs geen kat die er zich aan waagde.

Maar nu terug naar het doosje met zachte in jus klaargemaakte vlees of visbrokjes, verpakt in zakjes van circa 100 gram, 10 stuks in een doosje. Zsazsa Gábor is in haar 18e levensjaar en haar dochter FeFe in haar 17e levensjaar. De gebitjes al flink versleten door de jacht op muizen en vogels die met huid, haar, vleugels en botten naar binnen gewerkt werden. Nog steeds wel, maar minder (zie hun gebitjes). En omdat ik het toch eindelijk weleens tijd vond om af en toe zo’n zakje met zachte brokjes in jus aan hen serveren en soms eens te verwennen. Lees goed: af en toe. BEGIN ER NOOIT AAN!!

Nu, elke dag als de zon begint te zakken en zij ineens geen tijdbesef meer schijnen te hebben wat etenstijd betreft en vooral ook nu de zon al tijden niet eens meer doorbreekt door de vette grijze grauwe bewolking, dus het kan op elk gewenst moment van de dag zijn, beginnen ze beiden met terroriseren. Bijna gillend voor hun voerbakjes. Eten! Nu! Ik blijf kalm en zet hen het droge voer voor en loop weg. Maar de keuken is naast Hans’ werkkamer, die ik vanaf moment hoor schelden. “Was er maar nooit aan begonnen! Hadden ze (de vrienden) die zakjes maar nooit cadeau gedaan! Want inderdaad, sinds de invoering van het zogenaamde “af en toe” is dat veranderd in “elke dag”. Liefst de hele dag door. En ook bij deze zakjes met lekkere dingetjes in jus zijn er verschillen tussen duur en goedkoop. U snapt het al, goedkoop is niet goed genoeg. Duur wel.

Ach, een kat is nooit te oud om te leren. Te leren harder te miauwen, te leren dat ze iets echt niet gaan eten en te leren dat wat lekker is, dat dit de hele dag door kan. En last but not least: ze snoepen alleen van de jus en de brokjes die overblijven, die hoeven ze niet.

Ach, ze zijn al zó oud en jammer genoeg leer je hen dit terroriseren niet meer af.