Druk.

Dat er veel druk is op de gezondheidszorg hier in dit land is geen nieuws. Net zoals dat in andere landen geen nieuws is. Maar daar wonen wij niet. En qua ervaring kan ik dan ook alleen maar schrijven over dit land. Vooral omdat wij samen enige weken aan wachturen hebben doorgebracht in wachtkamers en in artsenpraktijken natuurlijk. Nee, nee ik ga hier niet alle ellende in letters en zinnen omzetten. Maar er zijn wel anekdotes waar ik soms met een brede glimlach aan terugdenk.

Wachtkamers roepen iets in mij op. Er werd volop naar glimmende schoenpunten gekeken of juist niet glimmende schoenpunten, omdat je er juist in de wachtkamer achter kwam dat je die schoenen weleens had kunnen poetsen. Mensen konden in groot stilzwijgen uren naast elkaar zitten bij de tandarts, want ook daar was uren wachten schering en inslag. Neem die dag dat ik een afspraak had bij de tandarts. Mijn tandarts en zijn broer hadden beiden een praktijk in hetzelfde pand met wel ieder een eigen behandelkamer. De praktijken bevonden zich op de eerste verdieping van een flatgebouw. Door deze twee praktijken zat de wachtkamer altijd redelijk vol, ondanks dat de heren op afspraak werkten.

Ik stapte de wachtkamer binnen en zag ergens tussen al die zwijgende mensen nog een vrije stoel. Ik nam plaats met een diepe zucht. Want dat doe je bij een tandarts, omdat eigenlijk iedereen altijd zenuwachtig is. Ik zweeg met de menigte mee. Tot ik een drilboor hoorde op de verdieping boven de praktijk. Ik keek omhoog en zei: “volgens mij heeft de tandarts er zin in vandaag’. Iemand opperde nog dat dit niet de tandarts was, maar een drilboor ergens boven ons. Maar het harde gelach smoorde deze woorden. Het ijs was gebroken en zelden zo’n leuke wachttijd gehad bij de tandarts. Maar goed, dat was nog in Nederland. En voordat de smart-telefoon was uitgevonden.

In 2010, we woonden hier net drie jaar, kwam Hans terecht bij een uroloog in Pécs. De wachtgangen hier zijn zo afschuwelijk dat je er eigenlijk zo weer weg zou willen rennen. Maar als je hulp van een arts nodig hebt ga je er toch gewoon zitten. Bij urologie meestal tussen de mannen. Hans en ik gaan altijd samen naar binnen bij de arts. Twee horen meer dan één is onze stelling. Maar nu zaten we nog in de wachtgang. Ondertussen was het een geloop heen en weer met plastic bekers waar de heren hun plas in moesten doen voor onderzoek. Naast mij zaten twee mannen, die ik niet persé had opgenomen in mijn geheugen. De ene liep naar het toilet met zijn plastic beker, de ander kwam net de behandelkamer van de uroloog uit. Hij trok zijn jas aan en vertrok. Maar toen zag ik daar toch nog een plastic tasje onder de stoel naast mij staan. Ik pakte het tasje, rende achter de man aan die al buiten stond en overhandigde hem het tasje. In plaats van blij keek hij vreemd. Hij trok de hengsels uit elkaar terwijl zijn gezicht bijna in het tasje verdween. Juist op het moment dat hij vertelde dat het niet zijn tasje was werd ik op mijn rug getikt. Een woeste blik. De ene man griste het tasje uit de handen van de andere man. Weer die woeste blik naar mij. De enige die daar midden op straat keihard stond te lachen, was ik. Ik had de mannen door elkaar gehaald, terwijl ze in het niets op elkaar leken. Toen ik de wachtgang weer binnen kwam zat de man een stukje verderop aan de overkant tegenover mij. Met zijn handen strak om zijn plastic tasje. Hij hield mij goed in de gaten.

Op een ander moment bij diezelfde uroloog, in hetzelfde gebouw maar op een andere locatie in dat gebouw. Hans moest een onderzoek via de plasbuis. Omdat dit nogal pijnlijk is wordt er gebruik gemaakt van plaatselijke verdoving bij dit diepgaande onderzoek. Ik ging in dit geval niet mee met Hans. In de wachtruimte stond één bankje. Een bankje van wit nepleer, waarvan zichtbaar was dat het hier al enige tijd stond en waarvan zeker gebruik gemaakt was. Ik nam plaats tegenover een melkglas raam, waarachter de onderzoeksruimte was. Hans, die nogal ongevoelig is voor verdoving, had een extra dosis gevraagd aan de uroloog. Ik moet ook zeggen dat de ruimte achter het raam van melkglas niet echt geluiddicht was. Ik hoorde ze samen praten, niet echt woordelijk, maar ik hoorde het wel. De verdoving moest een paar minuten inwerken, dus stilte achter dat raam van melkglas. Een man, die mij zeer vriendelijk toeknikte, nam plaats naast mij op het versleten bankje. Achter het raam van melkglas klonk nu geluid. Ik dacht even kreunen te horen met daarna “Nee, Tibor”! “Au, au, au, godver…Stop! Godverd……. au, au au!! ” De man naast mij zat nu op de rand van het bankje. Ellebogen op zijn knieën, handen stevig samen gevouwen. Tijdens het geschreeuw wiegde hij alsof hij zojuist was begonnen met tijgeren. De man stond op en verdween in het donker van de lange gang. De verdoving had inderdaad niet gewerkt. Hoewel deze man voor 100% een Hongaar was had hij de tekst vanuit de kamer achter het raam van melkglas heel goed begrepen.

Nu zijn er nog veel meer anekdotes maar die ga ik nu niet allemaal beschrijven, maar deze laatste wil ik u toch niet onthouden. Het was toen ik drie weken geleden voor groot onderzoek, vanwege de Tia, op een groot bed lag met daarboven de ct-scanner. Een aardige vrouw legde twee driehoekjes aan beide zijden naast mijn hoofd, zodat dat hoofd op die plaats zou blijven liggen. Ze spoot de benodigde contrastvloeistof in mijn aderen en had nog wat vragen. Toen ze wegliep vroeg ze of ik mijn “valse tanden” uit wilde doen. Nu zei ze natuurlijk niet “valse tanden” maar keurig “prothese”. Ze pakte de valse tanden aan in een ruim papier en legde het weg. Voor de scanner in werking ging mummelde ik nog wat, maar toen het apparaat begon te werken lag ik stil. Ogen dicht, in de hoop dat ik niet ineens jeuk aan mijn hoofd zou krijgen. Nu gebeurt dat zelden, maar dat zul je net zien als je niet mag bewegen. Daarom in opperste concentratie. Toen de geluiden verdwenen en de lichten werden gedoofd, mocht ik overeind komen. Alsof ze het bijna vergeten zou zijn pakte ze snel het papier met mijn valse tanden. Misschien net iets te schichtig, want pardoes vlogen mijn onderste tanden over de vloer. Ze schrok hevig. “Ach, ze zijn van kunststof hoor” sprak ik haar troostend toe. Ze raapte het snel van de vloer. “Ik heb ze pas sinds een half jaar” zei ik. Eigenlijk geen idee waarom ik dat zei. Toen deed ze een stap dichterbij bracht haar hand naar haar bovengebit en trok het een stukje vooruit. “Die van mij zijn ook van kunststof en ik heb ze sinds drie maanden”. En toen ineens daar in die vreemde kamer lachte ik samen met een vrouw en haar valse tanden en vertelden we allebei hoe blij we er eigenlijk mee waren. Je zag dat het de druk er even afhaalde.

Van die wonderlijke dingen.

Het was op een maandagmorgen in oktober toen wij een afspraak hadden met de dierenarts voor de sterilisatie van zowel Brigi als de katertjes. Een ontzettende aardige man. Een Pool die hier al jaren praktijk heeft. Dat schept een band, omdat Hongaars voor niemand van ons de moedertaal is. Wij liepen met onze handen vol de praktijk in (nou ja, praktijk, praktijkje want het is nogal een kleine ruimte en er staan ook nog eens héél véél spullen). Brigi wandelde enthousiast naar binnen en kuste de dierenarts alsof hij haar leven zojuist gered had. We plaatsten de kattenbench op tafel. De dierenarts stroopte de mouwen op, je zag dat hij er zin in had. Hij zou bellen als hij klaar was.

Een paar uur later werden we gebeld en konden onze dieren weer ophalen. Brigi, totaal groggy van de narcose net zoals beide katertjes. Eenmaal thuis leek het er meer op dat wij die beesten straaldronken uit de kroeg hadden gehaald. Ze konden de ene poot nog niet voor de andere zetten en stortten dan weer ter aarde. Maar gelukkig duurde dat niet heel lang. Vooral de katertjes waren snel weer ter been. Maar ja, bij hen is het “snip snip no balls” en bij Brigi was dat wel anders. De ingreep bij zo’n meisjeshond is toch altijd veel groter. Het duurde dan ook zeker nog een dag voordat ze weer een beetje de oude was. Het wonderlijke hiervan vind ik dat die beesten na zo’n ingreep het vertrouwen in ons niet verliezen.

Toen alles weer gezond en dartel rondliep diende zich het volgende probleem aan. Sissi. Die heeft er nogal een houtje van om de baas te spelen over alle honden. Het moet gezegd dat ze daar vaak steengoed in is. Neem de vos, met wie ze oog in oog stond terwijl die vos de krielkip van haar zes kuikens wilde beroven. Om misschien ook zelfs wel de krielkip van haar leven wilde beroven. Sissi stapte voor de vos om de kippen te beschermen. Ze gaf geen kik. Geen grom, geen glimmende tanden. De blik in haar ogen was genoeg om de vos op de vlucht te laten slaan. Wij stonden erbij en keken er naar. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden van haar prachtige beschermende gedrag. Maar de laatste tijd was er wat veranderd in haar gedrag. Ze had Bence al een paar keer vanuit het niets vreselijk aangevallen en nu Brigi hier was, moest die er ook aan geloven. Geen fijne situatie kan ik u wel vertellen. Ons deed ze niets en de katten ook niet. Maar ook tijdens het wandelen gebeurde er niets. Het was altijd voor de deur of zelfs gewoon in huis. We konden de vinger er niet opleggen en besloten haar te laten onderzoeken.

Vass Péter is de dierenarts in de buurt met alle apparatuur in huis. Ook hij is een hele aardige dierenarts. Als er iets speciaals moet gebeuren met een dier verwijst elke dierenarts naar hem. Hij wilde graag een röntgenfoto van Sissi maken. Wij hadden zelf het vermoeden dat er iets mis was in haar kop. En dat laatste maakte mij zenuwachtig. Want stel dat? Wat dan? Laat ik niet al mijn hersenspinsels met jullie delen, maar ik was er wel op voorbereid dat wij haar waarschijnlijk “ingeslapen” mee naar huis zouden moeten nemen. Hij bracht haar onder narcose, omdat hij haar moest onderzoeken op een manier die ze niet toe zou staan.

We zaten buiten in de zon te wachten toen we toch alweer heel snel werden binnen geroepen. Hij nam ons mee naar een donkere ruimte waar een verlicht scherm de foto liet zien van haar ruggenwervel. Hij wees aan waar het mis zat. Zware artrose in haar ruggenwervel en dat was hoogstwaarschijnlijk de reden van haar gedrag. Afschuwelijke pijn. Helemaal niets aan te doen. Behalve medicatie misschien en natuurlijk wilden wij dat graag proberen. Hier ga ik heel kort in zijn. Het werkt. Ze is weer vrolijk. Ze gaat goed met Bence en ze gaat goed met Brigi en de katten zijn als vanouds weer haar baby’s. We kunnen wel zeggen dat hier sprake is van de wonderlijke situatie hoe snel en goed medicatie kan werken.

Ik dacht eigenlijk dat het van de spanning kwam. Dat ik toch meer stress had gehad. Dat ik toch echt bang was geweest dat we Sissi ingeslapen mee naar huis zouden krijgen. Althans dat was het enige wat ik op dat moment kon verzinnen. Maar het kwam heel onverwacht. Zeg maar uit het niets. We zouden naar Pécs voor boodschappen. Ik zat op de bank om mijn schoenen aan te trekken. Ineens een soort stroom(zoals je vroeger met je tong een batterij kon meten of er nog stroom in zat maar dan net iets heftiger) aan de zijkant van mijn oog, daarna bovenop mijn oorschelp, toen naar mijn handen en daarna in één vloeiende beweging door naar mijn been. Het voelde vreemd, ik voelde me vreemd. Mijn been wilde niet meer vooruit, maar omdat ik toch niet kon geloven wat er gebeurde stond ik op. Het klopte, mijn been wilde niet meer vooruit. Hans, voor wie hem kent, kan nogal ongeduldig zijn. Hij was al buiten en kwam terug om te vragen waar ik bleef. Hij trof mij voorover staand steunend op het trapje aan in de woonkamer. “Het gaat niet helemaal goed Hans. Ik kan even niet lopen”. Hij hielp me overeind en zag zijn bezorgde blik. Ik ging zitten en voelde langzaam al het gewone weer terugkeren. Ik wilde nog wel even zeker weten of ik echt kon lopen. En jawel hoor, dat ging. Dit alles duurde hooguit 1,5 minuut en toen was alles weer goed. “Kom zei ik, we gaan boodschappen doen”. En zo geschiedde.

Toch, die nacht. Het zat mij niet helemaal lekker en het zat Hans helemaal niet lekker. Hij had al zitten googlen en kwam maar tot één conclusie. Vroeg in de ochtend wilde hij eerst mijn bloeddruk meten, die bleek gewoon goed te zijn. Toch belde Hans de huisarts waar we meteen terecht konden. Ik deed mijn verhaal, de ogen van de huisarts werden steeds groter. “Waarom ben je nu pas hier? En waarom heb je niet 112 gebeld?” Tja, goede vraag waar ik geen antwoord op had. Ik had geen idee wat er gebeurd was, dacht dat het niet heel ernstig was en waarom zouden we dan 112 bellen? “Ik vermoed een Tia en stuur je gelijk door naar spoedeisende hulp”. Ik keek naar Hans “je hebt gelijk” zei ik “een Tia”.

En zo kon het gebeuren dat wij die morgen om tien uur ineens naar de spoedeisende hulp in Szigetvár reden waar we heel aardig ontvangen werden. Er werd bloed afgetapt, zuurstof gemeten, bloeddruk gemeten, het hart werd gemeten en nog meer tests om alles uit te sluiten en daarna mocht ik nog “even” wachten in de wachtkamer. Daarna naar een arts die ook weer allerlei vragen had, tests deed en mij ook weer vroeg om “even” te wachten in de wachtkamer. Ik dacht op bloeduitslagen. Maar nee, eerst nog een ct-scan en daarna weer “even” wachten in de wachtkamer.

Het was ondertussen kwart over drie geworden en de zon begon al aardig te zakken. Hans, die vroeger een heel goede chauffeur was in het donker , kan tegenwoordig niet meer zo goed rijden in het donker. Of het nog lang duurde was zijn vraag, want het is ook nog wel een half uurtje rijden naar huis. Arme Hans en hij heeft al zo’n schurft aan wachten (ja, wie eigenlijk niet?) maar ik moet erbij zeggen dat ik het wachten ook wel flink zat was. De baliemedewerkster zou het de arts vragen en al snel was ik toch aan de beurt. Hier kreeg ik uitleg van wat er zo allemaal gevonden was. Bloed goed, nieren goed, lever goed, mild goed, scan van het hoofd goed. Eigenlijk moest ik tot de conclusie komen dat ik een heel gezond mens ben, maar toch. In de hals is een kleine vernauwing gevonden en daarvoor moet ik dan weer naar een neuroloog. Ik heb medicatie meegekregen en als ik heel eerlijk ben voel ik me gewoon helemaal kerngezond. Nou ja, op dat ene kleine dingetje na dan. Daar krijg ik over een week dan uitsluitsel van wat er aan gedaan kan worden. Hier gebeurden toch twee wonderlijke dingen. Het ene dat ik heel blij was dat ze me grondig onderzocht hebben en veel dingen hebben kunnen uitsluiten. En het tweede dat Hans het toch heeft vol kunnen houden om tot vier uur te wachten. Ik zou het gewoon liefde noemen. Een wonderlijke liefde.

Een hond met hele grote tieten en een vrouw zonder benen.

Het was al sinds de dood van onze hond Beau, dat Hans het internet afzocht naar een geschikte hond. De hond moest wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zo moest het een reu zijn, omdat Sissi (zelf een teef) geen teefjes om haar heen kan verdragen. Mannenhonden kan ze beter de baas, dat bewijst ze nu al ruim elf jaar. Vervolgens mocht de hond geen pup zijn, maar enkele jaren oud. Bijvoorbeeld achtergebleven bij een overleden baasje die altijd goed voor hem had gezorgd en er niemand zou zijn die de hond dan op zou kunnen vangen. Of iemand die naar een verzorgingstehuis moest en dat die hond dan weer niet mee mocht. Nou ja, zoiets. Een hond dus met een goed verleden maar zonder mooie toekomst.

Vorig jaar wandelde zo’n hond ons leven binnen. Levend op straat, waar wij hem vanaf plukten. Een ieder die ons kent weet van dit verhaal en wie het verhaal niet kent doet er goed aan om op dit blog terug te zoeken naar “Meeting Brigi” en nog wat verhalen over deze hond. Ik waarschuw alvast, het liep niet goed af. Niet dat de hond dood is gegaan maar omdat hij terug moest naar zijn afschuwelijke eigenaar.

Hans bleef dus zoeken en vele foto’s zijn mij getoond als hij weer dacht een geschikt exemplaar te hebben gevonden. Dan waren mijn eerste vragen: hoe oud? Mannetje? Hoe ver weg? Want Hongarije is nogal een groot land, dus kunnen honden ook heel ver weg wonen. De meest bezochte pagina was die van “Bordercollies in Hongarije”. Allemaal heel nooddruftige dieren en smoeltjes om te zoenen, maar allemaal opsloten in kennels, omdat ze in de opvang zaten. Toch kwam het er niet van.

Ook het dierenasiel in Pécs heeft een heel eigen en zeer uitgebreide pagina op het internet. Het uitgebreide komt door de enorme hoeveelheden honden die daar zitten. Na het zien van een foto met een heel leuk koppie togen wij naar Pécs, waar wij hartelijk werden onthaald en meteen de gelegenheid kregen om met deze hond een stuk te gaan wandelen. Daar liepen wij dan, op het prachtige terrein van het asiel, aan de riem een stuiterbal die tijdens zijn sprongen probeerde zich uit zijn halsband te wurmen. Een soort getoupeerde veldmuis met het ego van een bullterrier. Ik noemde hem Fluf, wat eigenlijk een veel te lieve naam was voor deze groot uitgevallen chiwawa. De medewerker van het asiel keek een beetje teleurgesteld en daarom wilden wij er nog wel even over nadenken om twee dagen later terug te keren met onze eigen honden met de mededeling dat wij deze “Fluf” niet wilden maar ons oog hadden laten vallen op een andere hond. Zijn naam was Rickie, een prachtig geheel zwarte hond ter grootte van onze eigen honden.

De wandeling met Rickie duurde kort. De hond was zo afschuwelijk bang, dat hij iedereen omver trok om zich in de bosjes te kunnen verschuilen. Alleen een verzorgster van het asiel, die het beestje al 1,5 jaar verzorgde, kon bij hem in de buurt komen. Nu was het de bedoeling dat we na een eerste wandeling een wandeling zouden maken met één van onze honden erbij en daarna alle twee de honden erbij. Maar zover kwam het niet. Hans’ hart brak bij het zien van zoveel angst en niemand kon echt uitleggen door wie en waarom deze hond ooit zo mishandeld is geweest. Zijn verzorgster bracht hem terug naar zijn hok. Rickie liep dartel en vrolijk met haar mee.

“Pling” daar verscheen een bericht op het scherm. Iemand had Hans’ oproep gelezen op een bordercollie-site en schreef dat hij had wat Hans zocht. Een hond van drie jaar oud, reu (is mannetje voor wie dat niet weet) en werd opgevangen door iemand die er eigenlijk geen tijd voor had. Een paar leuke foto’s gaven de doorslag. Daarmee weet je natuurlijk niet welk karakter de hond heeft, maar het zag er allemaal heel lief uit. Maar de hond woonde wel 220 km bij ons vandaan, dus zeg maar 440 km want je moet ook nog terug naar huis.

De geschiedenis van deze hond komt er in het kort op neer: de schoonouders van deze man moesten verhuizen, omdat beide benen van zijn schoonmoeder waren geamputeerd. Daardoor kon de hond niet mee verhuizen. De man in kwestie beloofde zijn schoonouders om een goed tehuis te zoeken voor deze hond. Verder had de hond geen paspoort en geen chip. We besloten om het er op te wagen maar moesten nog even bekijken wanneer we de hond zouden ophalen.

Gisterenmorgen vroeg “pling” in het bericht stond geschreven of Hans het misschien een goed idee vond als zij ergens op een plek konden afspreken en dat ieder zodoende 110 km zou rijden. Heel mooi plan. Maar of dit dan wel meteen kon. Snel een bench achterin de auto en zo reed Hans op een zonnige woensdagmorgen vanaf huis richting Szekszárd en vertrok er een man vanuit Kecskemét ook richting Szekszárd naar een voor beiden onbekende ontmoetingsplaats.

Hans belde mij vrolijk op met de mededeling dat hij de naam van de hond al wist. Lotusz. Lotusz? Maar dat is een meisjesnaam! Maar toen bedacht ik dat wij Brigi, die een reu was, toch ook een meisjesnaam hadden gegeven. En later weer vrolijk “die bench was helemaal niet nodig. Die hond zit keurig naast mij op de voorstoel”. Ik werd zenuwachtig van al dat wachten en liep maar wat heen en weer tot de auto voor de deur stopte. Ik had een riem met halsband in de aanslag (omdat de meegenomen halsband veel te groot was) en reeg het mooie koppie in de halsband. De hond sprong vrolijk met mij mee, ik aaide en de hond liet de buik zien. Wat? Wat een enorme tieten heeft deze hond! Die moet nog maar net gejongd hebben!

Vanmorgen bij de dierenarts vertelde ik dat de hond geen chip had, geen paspoort, dat zij ca 3 jaar oud was, Lotusz was genaamd maar nu Brigi werd genoemd en uit de buurt van Kecskemét kwam. De dierenarts nam zijn chiplezer, keek mij aan en zei: deze hond heeft wel een chip. Ik kreeg een hartverzakking want hiermee hadden wij heel slechte ervaringen. De dierenarts keek naar de gegevens en knikte dat het klopte wat ik had verteld. Op welke naam? Op die van jou? Of die van Hans? En wat was de nieuwe naam van de hond ook alweer?

De hond staat nu op onze naam en heeft haar eigen paspoort. Maandag mag zij onder het mes voor sterilisatie. We gaan er zo een glas op drinken. Ik vraag me trouwens wel af of het verhaal van die geamputeerde benen dan wel klopt.

Hans met getoupeerde veldmuis in Pécs-

Ik vond er iets teveel vos inzitten. Dat is met kippen niet handig.

Brigi in het begin van een nieuw leven. De click met Hans is helemaal goed.

Niet helemaal scherp (of helemaal niet) maar een klein portret van deze ongelooflijke lieve, aanhankelijke, poezen en kippen geen probleem hond.

En die grote tieten wilde ik u niet onthouden.

Balls, de toelichting.

Naar aanleiding van mijn vorige blog wil ik toch graag iets uitleggen. Zoals uit de commentaren blijkt (veel dank hiervoor, is toch altijd fijn) en ook buiten dit blog om kreeg ik het te horen, dat ik eigenlijk moet weten dat een rode kat meestal een kater is. Van deze kennis ben ik al jaren op de hoogte. Net zoals een lapjeskat bijna altijd een poes is.

Vanaf mijn 20ste jaar heb ik altijd zelf katten gehad. Voor die tijd had mijn vader altijd katten, mijn moeder daarentegen nooit. Mijn vader hield van alles wat vier poten had, of vleugels, maar dan met twee poten, mijn moeder daarentegen helemaal niet. Mijn vader hield van kroelen met die beesten, mijn moeder verafschuwde elke haar die zo’n beestje achterliet. Mijn vader heeft ooit zelfs een hond gehad, mijn moeder was blij als het kreng was weggelopen in de hoop dat die nooit meer terug zou komen. Maar dat is een héél ander verhaal. Het gaat nu even over katten.

Hierbij zou je dus kunnen stellen dat ik een kind van mijn vader ben. Maar qua linkshandigheid en motoriek en gevoel voor richting ben ik dan weer echt een kind van mijn moeder. Terugdenkend aan de commentaren op dit blog kwam ik erachter dat ik bijna altijd poezen heb gehad. Op één kater na dan. Jool de Noorse bosmongool (sorry, dat was zijn volledige naam), roepnaam: Joles. Een prachtige grijze Noorse boskat, opgehaald uit het asiel. Maar die was al een paar jaar oud en al tijden gecastreerd toen hij bij ons kwam wonen. Zijn geslachtskenmerken heb ik daarom nooit gezien. En de poezen die ik had (en Hans en ik later hadden) waren gewoon allemaal poezen, die keek ik nooit tussen de achterpoten.

En nu komt dan de uitleg. Toen wij deze twee kittens overhandigd kregen was de vorige eigenaar er heel zeker van dat de cyper een meisje was en de rode waarschijnlijk ook. Wij hadden bedenkingen bij de rode uitvoering en daar komt het dan: omdat ze nog zo jong waren was er eigenlijk niet veel te zien, alleen dat een poeperd van een kitten in vergelijking dan wel weer heel groot is. Maar hun beider geslachtskenmerken, die nog geen echte kenmerken waren, zagen er identiek uit. Met andere woorden: als de cyper een meisje was, dan was de rode dat ook. De rest van het verhaal kent u.

Dan komt nu het positieve van dit verhaal. Wij hebben vrienden die hadden een poes waar ze veel van hielden. Deze poes was de koningin van haar tuin, geen kat waagde ook maar een poot op het gras te zetten als deze poes, wiens naam ook Poes was, in de buurt was. Toen Poes dood ging bleef het nog even stil in hun tuin, maar daarna kwam de eerste kleine poes op verkenning. Naar later bleek, voor nog meer kleine poezen en hun moeder. Als ik het goed zeg, zijn het er nu acht waarvan er eentje zwanger is. Die was te laat voor anticonceptie tabletten van hun dierenarts.

Kijk, met katers heb je dat dan weer niet. En dat geeft een grote zorg minder. Voor ons dan, maar niet voor de buurtpoezen. Die moeten we nog inlichten.

Heerlijk mijmerend over twee poesjes die katers blijken te zijn. Honden die daar dan weer verliefd op zijn. Wat een heerlijke wereld hier. Waar gender er niet toe doet. Waar twee kippenmoeders met elkaar vrij rond kunnen lopen met hun kuikens, waarvan ze de eieren zelf niet gelegd hebben, maar die ze hebben uitgebroed en die ze opvoeden alsof dat wel zo is. Niemand die er om maalt dat de groot uitgevallen kuikens in niets op hun moeders lijken. Niemand die maalt om kleur of ras of afkomst. Ik zou willen dat wereld voor even als onze tuin was. Maar dan wel iets minder warm en iets minder droog. Tja, er is overal wel wat.

Balls.

Anders dan doet vermoeden is Gino Vanelli geen geboren Italiaan. Hoewel zijn raven zwarte haar in weelderig krullen zijn hoofd sierde, zijn borstharen als krullend prijkbontje uit zijn openstaande overhemd staken en zijn okselhaar als ouderwetse gootsteenborstels uit zijn korte mouwen duidelijk zichtbaar waren, was hij geen Italiaan. Wel was hij zanger en geen onverdienstelijke ook. People Gotta Move, ergens in 1974 een grote hit. Maar zelfs als ik het nu nog hoor word ik er blij van. Gino Vanelli is wel een Canadees, met Italiaanse roots, dat dan weer wel. Eigenlijk is niets zoals het lijkt.

Er bekroop mij een vermoeden. Nu ben ik van alle genders, niet eentje uitgesloten, maar het bezit van twee kleine damespoesjes leek me heel leuk. Vooral ook omdat onze vorige poezen twee uitzonderlijk leuke dames waren. Nu waren deze nieuwe poezendames zó klein dat het geslacht zich niet helemaal liet raden. Maar de rode groeit wel iets sneller dan de grijze. Op een zonnige dag in juli keek ik toch nog eens goed tussen de achterpootjes. Was het waar wat ik daar zag? Ja, het was waar. Super klein, maar ze zaten daar wel in dat hele kleine kattenzakje: Balls!! Onze Dzsina (spreek uit als Gina) is dus helemaal geen kattemeisje. Zijn naam is direct verandert in Dzsino (spreek uit als Gino, Hongaars is nou eenmaal een andere taal). U leest het al, ook in dit geval is niets zoals het lijkt.

Nu gingen we ons natuurlijk al bezinnen. Wanneer moet de schaar daarin? Want twee hele lieve schattepoezen die broer en zus zijn, hebben geen idee wat incest is.

Ondertussen groeien ze door. Hoewel ze natuurlijk nog heel klein zijn. De wasbeurten van hondenmoeder Sissi laten ze helemaal welgevallen. Tot ze helemaal zeiknat zijn en er wel genoeg van hebben. Ze spelen, ze rennen, ontdekken dat een moederkip met kuikens levensgevaarlijk is en dat een boom daarvoor een hele veilige plek kan zijn en ze ontdekken ook dat de hondenvoerbak voor honden is, vooral als er voedsel inzit. Voor opgetrokken hondenlippen kun je beter maar even benen maken, weten ze nu. Er bestaat een boek “De ontdekking van de hemel” maar hier vindt toch echt de ontdekking van het paradijs plaats. En tussendoor, als ze moe zijn, liggen ze verstrengeld in elkaars pootjes, spinnend te groeien. Aan ingrepen van dierenartsen moeten we nu nog maar even niet denken.

Van de week, op een avond, het was al na achten, stapten Vali en Zoli (de ouders van onze hond Bence) samen met Gergely de tuin in. Nieuwsgierig geworden naar die leuke kleine poesjes. De oh’s en ah’s vlogen over en weer. Ik vertelde de grap van de rode poes die nu toch echt een kater bleek en dat zijn naam heel makkelijk van vrouwelijk naar mannelijk kon worden omgezet. Ze pakte Zsófia op en wandelde een stukje met de kleine poes in haar handen, aaide haar en kroelde haar. Toen er ineens een daverende lach te horen was. Ik was te ver weg en verstond het allemaal niet zo. Maar met elkaar was die gein zo aantrekkelijk, dat ik wel wilde weten wat er nu zo leuk was. Vali, met tranen in haar ogen. Ze had het poesje op de rug, pootjes wijd. En daar zag ik het. Het begin van een piepklein kattenzakje. Gevuld met: Balls!! En dan blijkt maar weer, niets is wat het lijkt.

Nu had ik het verhaal over Gino Vanelli, maar dit verhaal gaat over Sophia Loren helemaal niet op. Die is gewoon wat het lijkt. Italiaans en prachtig. De twee mooie kattennamen die we hadden verzonnen voor twee schattige kattenmeisjes zijn beiden van gender verandert. Zsófia wordt Zsózsó. Dzsina wordt Dzsino. Het is niet anders. En we zijn er nog steeds stikblij mee.