Voor een glimlach.

Ik wil mijn zus Ineke een glimlach bezorgen. Al is het maar voor even. Het gaat over een herinnering van heel veel jaren geleden, die elk jaar weer terugkomt. Of ik het nu zelf uit de tuin pluk of, zoals afgelopen vrijdag, toen Hans het meebracht uit Kroatie. Wilde spinazie. Het is een verhaal waar ik wel vaker over heb geschreven. Maar nu, op dit moment, hebben wij (als zussen) dit verhaal weer even nodig. Al is het maar voor een kleine glimlach en voor de vergetelheid. Het gaat om dit kookboek:

Alleen al voor de cover. Ik ken veel mensen die dit kookboek graag zouden willen hebben. Ineke had het (en nog denk ik) en kookte er graag uit. Alleen één ding vond ze uit dit kookboek te bewerkelijk: het spinazie- gerecht. Nu waren de Italiaanse keuken en de Hollandse keuken zo’n vijftig jaar geleden mijlen ver van elkaar verwijdert en sommige ingredienten waren ook niet zomaar verkrijgbaar. Maar spinazie wel. En spinazie is spinazie nietwaar?

Ineke kocht (ik geloof een pond, maar het kan ook gerust een kilo geweest zijn) de verse spinazie en ging aan de slag met het recept. Maar na een kwartiertje klooien begon ze er toch wel een beetje genoeg van te krijgen. Want in het recept stond dat alle steeltjes van de spinazie verwijdert moesten worden. Nou, ga er maar aanstaan. Al die kleine steeltjes, blaadje voor blaadje afsnijden. Het was dan ook niet makkelijk om al die net gewassen blaadjes op elkaar te stapelen en ze dan bijvoorbeeld per tien of vijftien tegelijk te ontstelen. Na een hele tijd vertoeven in de keuken heeft ze het gerecht toch uiteindelijk gemaakt. Maar wel met de opmerking: “spinazie, ik vind het heerlijk, maar het is mij allemaal veel te veel werk”.

Daar komt dan het verschil tussen de Italiaanse keuken en de Hollandse keuken. In Nederland aten wij altijd de kleine variant spinazie. Maar in Italie maakten ze toen al gebruik van wilde spinazie. Een vorm die vele malen dikker en groter is en waarvan de stelen ook heel erg dik zijn. Tja, die moet je er echt afsnijden. Maar die Nederlandse variant, tja die had zo schoongewassen in één keer in het recept verwerkt kunnen worden.

Een leermoment waar altijd weer een glimlach tevoorschijn komt. Deze is voor jou Ineke.

Arm schaap.

Toen ik haar zag liggen, tussen alle troep uitgestald op een houten tafel, trok zij direct mijn aandacht. Het was best druk op die vlooienmarkt en het verbaasde mij dat nog niemand mij was voor geweest. Dat ze daar gewoon maar lag in alle schoonheid, tussen alle troep. “Als zij 50 gulden kost, ga haar kopen” dacht ik en versnelde mijn pas.

Ik pakte haar vast, ze woog nogal wat en zag gelijk dat het mijn maat moest zijn. Ook al zou het te groot uitvallen, dan zat ik daar ook niet mee. Alleen te klein, dat zou jammer zijn. Een vrouw, die met weinig aandacht achter de houten tafel zat, en neen er waren nog geen mobiele telefoons, reageerde niet toen ik haar aandacht trok. Dan maar gewoon aanpassen en proberen of het mijn maat is. Ze paste, precies. De mouwen, de schouders, nou ja, het geheel zeg maar. De vrouw keek op. “Wat kost dit lui paard”? Vroeg ik. Zelf vind het altijd nogal grappig als je de klemtoon op een woord verlegd dat er dan een heel ander woord uitkomt. “Het is een schaap en je zegt het verkeerd, die print is van een luipaard of van een ander beest. Ik weet het niet, want die jas is niet van mij. Moet ik even vragen, als je wilt wachten ben ik zo weer terug. En let gelijk even op mijn spullen als ik er niet ben”. En weg was ze al.

En natuurlijk kon ik wachten en natuurlijk ging ik op die spullen letten, maar die jas hield ik aan, zodat die niet aan een zomaar onverlaat verkocht kon worden. “Leuke jas” sprak een man die passeerde. Ja, zei ik, “lui paard”. Ik zag hem even denken en toen schoot hij in de lach. “Je legt de klem toon verkeerd”. Ik lachte terug en hij begreep dat ik het expres deed.

“Een tientje” hoorde ik vanuit de verte. Ik kon mijn oren niet geloven. Tien gulden voor deze pracht jas. Ik ritste een tientje tevoorschijn voor ze zich zou bedenken en vroeg of ze mijn oude jas in een tasje wilde doen. Ik was blij, verguld en ik had het warm in dit schaap in luipaard kleren.

Zelf had ik al van verre gezien dat deze print nep was en daarom vond ik haar ook zo leuk. Want zo’n jas kun je met gemak dragen zonder een bus verf over je kop te krijgen. Althans dat had ik gedacht.

Soms, als ik op de fiets zat, kreeg ik “dierenbeul”! naar mijn hoofd geslingerd. “Arm schaap” slingerde ik dan terug. Waarmee ik mijn jas dan bedoelde, maar verkeerd begrepen werd en ik de pedalen dan maar flink aanzette om wat meer vaart te maken. Maar te voet was dat dan toch moeilijker.

Op een mooie winterdag ergens in 1995 liep ik in Utrecht op station Hoog Catharijne. Ik keek naar de borden waarop de vertrektijden van de treinen aangegeven stonden toen er ineens een vrouw iets tegen mij schreeuwde en veel te dicht in mijn territoriale ruimte kwam. Ik keek haar vragend aan. “Wat zegt u”? vroeg ik. “Of die jas echt is”!! Schreeuwde ze nu nog harder. “Nee, mevrouw deze jas is niet echt. Ik zou niet durven. Er is trouwens toch geen luipaard geboren met zo’n print”? Ze bleef nog steeds woest kijken maar beende nu toch weg. Ik durfde het dit keer niet aan om na te roepen “arm schaap” want ik denk dat ik dan alsnog een emmer met verf over mijn kop had gekregen.

En nu, ruim dertig jaar later, draag ik de jas nog steeds (hoewel de binnenvoering wel aan herstel en vernieuwing toe is en dat er aan de mouwen best wel slijtplekjes te zien zijn). In de meeste gevallen om met de honden te wandelen in de tuin en omgeving. Maar tijdens deze barre koude winter van 2026, draag ik haar ook weer op straat. En gisteren, tijdens het winkelen, waren sommige afkeurende blikken niet van de lucht. Helaas gaat in het Hongaars de klemtoon van lui paard niet op en weet ik wel wat ik zou moeten zeggen als de gemoederen toch verhit raken: Ez egy szegény birka. Dit is een arm schaap en dan hoop ik maar dat ze het begrijpen en dat ik daar niet mijzelf mee bedoel.